‘Ik roep met Vondel om tolerantie’

Vondel heeft veel over onze tijd te zeggen, vindt Piet Calis. Zijn werk moet daarom dringend afgestoft. Calis schreef een biografie van de dichter en toneel-schrijver en immigrant.

In de Amsterdamse Oude Kerk wordt vanavond de nieuwe Vondelbiografie van cultuurhistoricus Piet Calis gepresenteerd. Joost van den Vondel (1587-1679) rijst eruit op als een geëngageerd dichter en schrijver die met gevaar voor eigen leven opkwam voor verdraagzaamheid. Hij was een bewonderaar van de Amsterdamse burgemeester C.P. Hooft (de vader van P. C. Hooft) en het feit dat het eerste exemplaar aan Hoofts verre opvolger Job Cohen wordt overhandigd, mag gerust als een ‘statement’ worden opgevat. Calis (1936) deelt zijn vurige liefde voor Amsterdam als bakermat van vrijheid en tolerantie met de Keulse immigrantenzoon Joost van den Vondel.

„Toen ik zes jaar geleden aan deze biografie begon, wist ik niet half hoe moedig Vondel was”, zegt Calis. „Intussen heb ik zeker tien pamfletten onder ogen gehad, die indertijd aan de luifels van winkels hingen, waarin op zijn dood werd aangedrongen. Het begon met zijn toneelstuk Palamedes (1625) waarin hij protesteerde tegen de onthoofding van Johan van Oldenbarnevelt. Dat is voor hem het gevaarlijkste moment geweest. Als Vondel toen was uitgeleverd aan Den Haag, was hij eraan gegaan. Vergeet niet dat een paar jaar eerder vier mensen zijn onthoofd op beschuldiging van sympathie voor Oldenbarnevelt. Gelukkig nam Amsterdam hem in bescherming.”

Calis meent dat de zeventiende-eeuwse samenleving waarin Vondel ten strijde trok tegen beknotting van godsdienst- en uitingsvrijheid veel overeenkomsten vertoont met de onze. „Vondel, wiens familie om godsdienstige redenen via Keulen vanuit Antwerpen naar Amsterdam was gevlucht, leefde te midden van allochtonen. Er kwamen in zijn tijd zo’n 50.000 vluchtelingen uit Vlaanderen naar Nederland. Uit Spanje en Portugal arriveerden tienduizenden joden. Dat leidde tot culturele verschillen en bijbehorende ergernissen.”

Volgens Calis lijken de toenmalige problemen, polemieken en doodsbedreigingen op die in onze tijd. „Misschien dat ik me juist daarom grote zorgen maak over Nederland. Ik zie intolerante, rechtse stromingen opkomen en wil met Vondel in de hand oproepen tot verdraagzaamheid.”

Dankzij de intense manier waarop Calis zijn eigen tijd beleeft, denkt hij dichter in de buurt van Vondels wezen te zijn gekomen dan vorige biografen. „Ik heb geen nieuwe vondsten gedaan, wel ben ik de eerste die de positie van Vondels vrouw belicht en ik ben de enige die het een beetje opneemt voor zijn zoon, die het familiekapitaal, omgerekend 500.000 euro, er doorheen heeft gejaagd.”

Mogelijk is Calis ook de eerste biograaf die echt iets begrijpt van de bekering van de doopsgezinde Vondel tot het katholicisme. „Dertig jaar geleden heb ik de kerk de rug toe gekeerd. Nu ben ik terug en noem ik mij katholiek. Maar ik heb geen Paaps boek geschreven! Ik sta niet kritiekloos tegenover Vondel die naar mijn smaak wel erg katholiek was. Hij wilde zelfs Hugo de Groot postuum opnemen in de moederkerk.”

Behalve voor de politieke en religieuze perikelen waarin Vondel ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog als schrijver partij koos, heeft Calis in zijn biografie veel oog voor de persoonlijke omstandigheden van zijn held en diens letterkundige en intellectuele vrienden. Uitvoerig beschrijft hij de depressies waaraan zowel Vondel als Hooft leden en de akelige dood van de beroemde geleerde Caspar Barlaeus. „Barlaeus had zich ingebeeld dat hij van stro was en vreesde voortdurend dat hij vlam zou vatten. Hij is gestorven doordat hij in een put viel, waarschijnlijk om zich tegen een vuur te beschermen.”

Een mogelijke kritiek op deze Vondelbiografie, de veertiende sinds de dood van de dichter, is dat Calis de wederwaardigheden van zijn held te veel heeft willen vertalen naar deze tijd. Zo interpreteert hij de depressies van Vondel met onder andere de theorieën van Freud. „Ik heb me afgevraagd of de melancholie onder intellectuelen en kunstenaars in Vondels tijd een modeverschijnsel was, maar ik geef daar geen uitsluitsel over, ik poneer slechts hypotheses. Daarbij maak ik overigens ook gebruik van zeventiende-eeuwse bronnen.”

Ondanks zijn ruime aandacht voor Vondels politieke engagement, zijn religieuze passie, zijn liefdesleven en psychische wel en wee, is Piet Calis het meest geboeid door Vondels taal. „Hij was geen Nederlandse Shakespeare, maar zijn poëzie en zijn toneelstukken, zoals Lucifer, Joseph in Egypte, Adam in ballingschap, de Gijsbrecht en de Noach zijn prachtig. Die teksten moesten nodig eens worden afgestoft en ik citeer er in mijn biografie dan ook rijkelijk uit.”

Wat uit die teksten blijkt, is dat Vondel beslist niet seksloos was, zoals Jan Romein heeft beweerd. Frans Kellendonk merkte al eens op dat er veel meer seks in Vondels werk zit dan je, afgaande op zijn stoffige imago, zou denken. Calis: „Door ook de erotiek, om niet te zeggen geilheid, te laten zien, wil ik Vondel aantrekkelijk maken voor nieuwe generaties.”

Piet Calis: ‘Vondel. Het verhaal van zijn leven (1587-1679’), uitg. Meulenhoff.

Recensie van ´Vondel´en reacties: Boeken, pagina 8