Huis met 120 vleugels

Jos Versteegen: Slapen bij een warme man. Nieuw Amsterdam, 55 blz. € 14,90

Jos Versteegen debuteerde in 1981 met de dichtbundel Voorgoed volmaakt. In een vormvaste stijl schreef hij daarin trendongevoelig over grote thema’s zoals liefde en vergankelijkheid. Zijn tweede bundel, Jonge meesters, verkende diezelfde thema’s met een zeggingskracht die haar authenticiteit ontleende aan een vrijere versvorm dan het sonnet. Niet langer zocht de dichter zijn uitweg in het eindrijm; nu was hij zelf aan het woord, in rustig ademende, vanzelfsprekende regels. In zijn derde publicatie, Nachtkermis, speelde het eindrijm wel weer een belangrijke rol, maar nu in een ruim vijftig pagina’s lang epos, met een gepaard rijmschema (ababcdcdefef enzovoorts) vol halfrijmen. Deze kleine novelle bewees dat Versteegen zijn sfeervolle, haast fotografische stijl ook op lengte ademend kon houden.

Slapen bij een warme man is de vierde stap in een poëtische ontwikkeling die langzaamaan dwingend aandacht vraagt. Versteegen is een ‘maker’. De bundel omvat zevenentwintig gedichten in een nauwgezet verband van drie afdelingen. Er is een gezamenlijke voorzang, elke reeks heeft een nazang, en er is een slotzang voor de hele bundel. ‘Geen sprookjes’, ‘Dieren eten’ en ‘Slapen bij een warme man’ heten de reeksen. De eerste verzen laten zich lezen als herinneringen aan een verloren plattelandsjeugd, maar weldra wordt duidelijk dat de moeder, een boerenvrouw, het eigenlijke onderwerp is.

De bundel opent met ‘Bezoek aan huis’. Het land rondom dat huis blijkt niet ongerept. ‘Er is een zwarte loper door/ het land gerold, een brede grens/ vol glinstering en pannenkoek / van ratten, meeuwen, egels.’ Het asfalt omzoomde het land dus met de dood, maar toch eindigt het vers bijna vredig pastoraal: ‘Hier leven wij, / de stille, traag groeiende gewassen / die eten van het land, breken, / mest zijn, elk seizoen vergeten.’

De paradox van het nuchtere, aardse bestaan en de mystieke ervaring van natuur en verleden bepalen de toon van de bundel. Een mooie lichtvoetige uitwerking daarvan biedt het voorlaatste vers van de cyclus ‘Geen sprookjes’. ‘Vos en wolf’ is de titel van het gedicht, dat de wekelijkse kookwas in de grote ketel beschrijft.

De grote ketel in de stalhoek:

houthompen, vuur en dampend water.

Hij zou in sprookjes niet misstaan

om jonge meisjes in te stoven.

Je stort er lakens in, die bollen,

verdrinkt ze met een grote stok

en stampt ons voetenvuil en zweet

en oogvocht murw, zodat het loslaat

en in de zinken emmer stroomt,

het voorportaal van grup en prut.

Spookdromen, kom maar op. Ja vos

die in mijn deken woont, heus wolf

die op mijn kussen ligt – jij ruikt

straks net als ik naar groene zeep.

Versteegen zoekt hier via een stoffelijke herinnering de weg terug naar zijn kinderlijke verbeelding. In het volgende vers doet hij dat opnieuw als hij zich de ‘gekookte vingers’, de asperges van zijn moeder herinnert. ‘Je leest geen sprookjes voor,’ eindigt dat gedicht, ‘je dient / gekookte reuzen dampend op.’

Gaandeweg echter wordt de lezer een dreigender wereld binnengelokt. Aan het eind van ‘De kelder van je vlees’ groeit de klimop als een onkruid naar de ramen, en onmiddellijk daarna volgt de reeks ‘Dieren eten’. Blikseminslag, de slachthuiswagen, bloedend eigeel, vliegenpapier, de gehaktmolen en een hooiwagen als nachtkleed komen aan bod. Het lijkt een meervoudige aankondiging van onheil, of ten minste herfst. ‘Muizen op zolder’ bevestigt die gedachte, maar dan blijkt het opgeroepen najaar vooral ook de levensavond. De titelreeks van Slapen bij een warme man beschrijft het einde van de moeder in het bejaardentehuis. Elk van de acht gedichten in deze cyclus telt veertien regels, zoals het sonnet, maar ze rijmen niet en er is geen duidelijke wending. Driemaal zijn de eerste twaalf regels in kwatrijnen verdeeld, vijfmaal is het dozijn één tekstblok. Alle acht gedichten eindigen met een distichon, dat een zwartgallige conclusie trekt. ‘In dit gebouw zijn honderd vrouwen / die traag verdampen uit de tuin,’ stelt het eerste vers. ‘In dit gebouw zijn honderd rokken / als parachutes dicht gebleven,’ meldt het laatste.

In het voorlaatste gedicht ziet Versteegen een stenen luchtschip in het bejaardenhuis wanneer de lichtsensor honderdtwintig oranje zonneschermen laat zakken.

Wel honderdtwintig vleugels wil

zo’n huis uitslaan, ze klapperen

terwijl de wind, een brave hond,

die middag juist ging liggen…

Even nog is er beleving, maar in het slotvers, ‘Een bui’, stolt elke illusie. ‘Straks, met je rokken open, liggen / je schroeven in het zand. Vind dan / maar eens het leven uit…’

Slapen bij een warme man is een ontroerend requiem, en tegelijkertijd indrukwekkend loflied op de melancholie van herinnering en verwantschap. Zo’n juweel verdient koesterende lezers.