Hoogstdezelve

Het is bekend dat koningin Wilhelmina in 1938 voorkomen heeft dat een vluchtelingenkamp voor onder anderen joodse vluchtelingen uit Duitsland nabij haar paleis Het Loo gevestigd werd. Cees Fasseur heeft het beschreven in zijn Wilhelmina-biografie. Maar de briefwisseling hierover tussen koningin en regering – Fasseur geeft slechts een enkel citaat – las ik pas deze week in Kamp Vught. Daar hingen die pijnlijke teksten zomaar in een glazen kastje. Ik heb ze, niet zonder enige kippevelvorming, voor u overgeschreven.

Omwille van de historische context nog enkele opmerkingen vooraf.

In november 1938 kwam er na de Kristallnacht een grote stroom joodse vluchtelingen vanuit Duitsland naar Nederland.

Minister Hendrik van Boeyen van Binnenlandse Zaken wees de gemeente Ermelo op de Veluwe aan als locatie voor een opvangkamp.

De gemeenteraad van Ermelo ging akkoord, maar het dorp Elspeet – bevreesd voor verstoring van de zondagsrust – protesteerde. De ANWB en de Nederlandse Vereniging voor Vreemdelingenverkeer voorzagen schade voor het toerisme. Omdat het kamp op twaalf kilometer afstand van paleis Het Loo zou komen, sloot de koningin – in de correspondentie aangeduid met ‘Hoogstdezelve’, wat toen gebruikelijk was voor vorstelijke personen – zich bij de bezwaarden aan.

Dit schreef de secretaris van de koningin op 14 maart 1939 aan Van Boeyen: „Ingevolge de bevelen van Hare Majesteit heb ik de eer, naar aanleiding van Uwer Excellentie’s rapport van 10 maart 1939 (…), aan Uwe Excellentie mede te deelen, dat Hoogstdezelve bepaald betreurt, dat de keus voor een plaats voor het vluchtelingenkamp gevallen is op een terrein, dat zóó dicht bij het zomerverblijf van Hare Majesteit gelegen is en dat het Hoogstdezelve aangenamer ware geweest indien dat terrein, eenmaal de keus op de Veluwe gevallen zijde, veel verder van Het Loo had gelegen.

„Hare Majesteit zou het dan ook op prijs stellen indien laatst bedoeld terrein, hetwelk overigens aan alle daaraan te stellen eischen natuurlijk zoude moeten voldoen, alsnog gevonden zoude kunnen worden, temeer daar Uwe Excellentie in uitzicht stelt, dat het op te richten kamp geen kwestie van korte duur zal zijn.”

Het ministerie van Binnenlandse Zaken moet onmiddellijk in rep en roer zijn geweest. Drie dagen later, schrijft Fasseur in zijn biografie, had men al een andere locatie gevonden. In Vught las ik de brief waarin Van Boeyen op 22 april 1939 een en ander aan de koningin bevestigt.

„Eerbiedig veroorlooft de ondergeteekende zich ter kennis van Uwe Majesteit te brengen, dat in verband met de wenschen van Hoogstdezelve, afgezien is van het aanvankelijke voornemen der Regeering de keuze van een terrein voor het vluchtelingenkamp te bepalen op de Veluwe. Het is ondergeteekende een voorrecht van deze gelegenheid tevens gebruik te mogen maken, Uwen Majesteit te kunnen mededeelen, dat bedoeld kamp thans gevestigd zal worden in de gemeente Westerbork (dr.) nabij Hoog Halen.”

Als onderdanig columnist zou ik er hierna eerbiedig het zwijgen toe willen doen, temeer omdat ik me niet kan voorstellen dat de nazaten van de toenmalige koningin een herhaling van deze geschiedenis aanvaardbaar achten.