Hoe hou je nu nog een scheermesje scherp?

De Amsterdamse ontwerper Aart Roelandt verzamelt scheermesslijpers. Inmiddels heeft hij er al 350. Het liefst zou hij zijn collectie ergens permanent willen onderbrengen.

Ontwerper Aart Roelandt (53), in Amsterdam, zou het liefst een jaar lang elke dag in NRC Handelsblad een scheermesslijper (sms) beschrijven, met een plaatje in kleur. Hij heeft er inmiddels driehonderdvijftig.

Het begon tien jaar geleden, toen Reyer Kras, conservator van het Stedelijk Museum, een voordracht gaf met één dia van een scheermesslijper en het publiek vroeg die te omschrijven. Roelandt had er nog nooit één gezien, maar zag er als eerste een sms in. Kras, die toen dertig sms’en had, noemde ze producten die komen en gaan.

Een maand later zag Roelandt in een Haarlems curiositeitenwinkeltje een slijper liggen. Daarna is hij ze gaan zoeken, toen hij er dertig had, dacht hij dat het bij de zestig wel zou stoppen.

Toen werd internetwinkel eBay zijn bron. De zeldzame exemplaren kreeg hij vooral door te ruilen met andere collectioneur. Eén van hen, die nu handsigarettenrollers verzamelt en geld nodig heeft, heeft zijn hele collectie, van ruim duizend slijpers, aan Roelandt aangeboden voor 25.000 euro. Roelandt heeft dat geld niet maar wil de collectie wel naar Nederland halen. Het Amsterdamse science center Nemo, dat bezoekers laat experimenteren met techniek en wetenschap, heeft interesse, maar wacht op toestemming om collecties te kopen.

Het wereldwijde succes van het tweezijdige weggooischeermesjes, van Gillette, stamt uit 1905, al meteen mét een gratis houder. Er bestonden toen reeds slijpers voor klapscheermessen en bijlvormige mesjes, de voorlopers van de bekende veiligheidsmesjes. Het doel van een scheermesslijper was om ook deze dunne mesjes, die héél duur waren, te slijpen als ze bot geworden waren.

Het begon met een cylindervormig drinkglas. Een mesje werd met beide scherpe kanten tegen de bevochtigde binnenkant van zo’n glas gelegd en dan met de twee laatste kootjes van de middelvinger heen en weer gewreven.

Het mesje werd af en toe gekeerd. Dit ging op glad glas of op matglas, en zonder slijppasta. Er is zelfs een Luycks mosterdpotje geweest, dat volgens het etiket als slijpglas gebruikt kon worden. Die zoekt Roelandt nog. Ook bericht van opa’s sms’je graag naar aartroelandt@hotmail.com.

De bekende leren riem, die vóór het klapscheermes werd gebruikt, zat ook in de eerste apparaatjes. Daarna pas kwamen machientjes met één, twee, drie of vier cylindertjes van leer, rubber, glas of steen, met of zonder slijppoeder.

Tussen twee glazen knikkers dacht men ook te kunnen ‘wetten’ (slijpen), ook al werd met microscopische foto’s aangetoond dat het niet werkte.

Het slijpmateriaal werd in elke denkbare beweging over het mesje bewogen, aan één of aan twee kanten. De aandrijving ging meestal met de hand: draaien aan een slingertje, heen en weer schuiven van het mesje in een houder, soms met een touwtje, dat met één eind aan een deurknop werd vastgezet. Of het hele apparaatje werd rondgezwaaid. Soms werd een scheermesslijper met een veer opgewonden, als een klok. Voeding met een batterij of een stekker bestond ook.

Ook kwamen er apparaatjes (Everkeen, Superkeen) met magneten, waarvan de werking nooit is aangetoond, maar die wel gepatenteerd werden en waarvan er nog één bestaat, de Blade Master. Het zotst was een doorzichtige, gepatenteerde piramide, waarin het mesje wordt gelegd, gericht naar het Zuiden. ‘Kosmische straling’ deed de rest. Er was ook een bijgeloof dat je mesjes nooit in maanlicht moest leggen, want dan werden ze bot.

Het was vooral de druk van patenten, die steeds nieuwe types gaf. Van de tweeduizend types die op de markt kwamen, bestaan er nu nog maar vier, waaronder het indrukwekkende Rolls Razor, die slijpt én polijst, sinds 1927.

De cultuurschat – cultuur in de zin van overdraagbare kennis – toont volgens Roelandt tweeduizend antwoorden op één vraag: hoe hou je een scheermesje scherp? Met name voor ontwerpers, instrumentmakers en ingenieurs is het een schoolvoorbeeld van spitsvondigheid, knutsellust, diligent blijven en perfectie. Hij zou zijn collectie industrieel erfgoed ook wel ergens in een (semi)permanente expositie willen laten zien.

Roelandt schrijft er een boek met plaatjes over, er komt ook nog een dvd en website. Dit om vormgevers ervan te overtuigen, dat de fantasie van de mens onbegrensd is. Ook als het om iets zo eenvoudigs gaat als scherpslijperij.