Hij stak Kerwin neer, maar was geen racist

Kerwin Duinmeijer werd, dat weten we allemaal, vermoord omdat hij zwart was. Dat stond zo in de kranten in augustus 1983. Het schokte iedereen vreselijk, de wereld was veranderd, dat dát in Nederland ... dat zeggen we altijd als er iets gebeurt.

Woensdagavond kwam Kerwins moordenaar aan het woord in het programma Profiel, van de Humanistische Omroep. Gisteravond werd de ‘telefilm’ (voor televisie gemaakte film) Skin vertoond, door diezelfde omroep, waarin het verhaal van Nico B. min of meer tot film was gemaakt.

Nico Bodemeijer is een heel magere man, hij ziet eruit als een voormalige drugsgebruiker, ongezond, praat plat Amsterdams, snuift aan een stuk door, komt niet altijd even precies uit zijn woorden. Toch voel je aan het eind van dat profiel een lichtelijk weerstrevende sympathie voor hem. Niet omdat hij zo aardig is, maar omdat hij ook maar door het leven op sleeptouw is genomen, in gebeurtenissen terechtkwam waar hij niet had willen en moeten zijn.

Hij heeft natuurlijk wel degelijk destijds Kerwin Duinmeijer neergestoken, toen ze alle twee zestien waren. Het was, zegt hij, een plotseling ontstane vechtpartij, wat duwen en trekken, zij waren met meer, hij is snel een mes gaan halen. Toch zegt hij: „Ik wilde het sussen.” Maar hij heeft dat mes wel gebruikt. Zonder te weten dat hij de jongen zo erg geraakt had, zegt hij nu: „Hij rende keihard weg.” Pas in de gevangenis kwam hij erachter wat er gebeurd was.

Dat deel van het gesprek – in de documentaire van Kees Vlaanderen zien we eigenlijk alleen maar de pratende, snuivende, veel naar beneden kijkende kop van Bodemeijer – houdt de kijker achterdochtig. Weer zo’n slachtoffer van de maatschappij en zijn jeugd zeker. Een jeugd met een ‘zwaar getraumatiseerde’ joodse vader en een moeder die dronk en voor wie hij geen enkel gevoel heeft.

Hij is geen racist, zegt hij. Het maakte hem niets uit welke kleur iemand had. Het was gewoon ruzie. Ja, ja, denkt de kijker, dat weten wij wel beter.

Maar wij weten het helemaal niet beter. Wij weten wat ons werd verteld. Het Pieter Baan Centrum – Bodemeijer leest voor uit de verslagen – vond geen racistische ideeën of gedragingen bij ‘betrokkene’. De rechter stelde in zijn vonnis dat niet aannemelijk is geworden dat deze moord uit racistische motieven was gepleegd. Dat heeft de kranten nooit gehaald.

Wel het bericht dat Nico B. weer vrij was en in Purmerend was gaan wonen, met een foto van zijn huis erbij, zodat men hem zou weten te vinden. En dat gebeurde natuurlijk ook. Hij heeft weer gevochten en nog een jaar in de cel doorgebracht. En nu lijkt het leven redelijk normaal te verlopen, in Amsterdam weer, op het Waterlooplein, waar hij bij zijn vader werkt in de kramenverhuur.

Zoals gezegd, zijn verhaal maakt indruk. Een beschadigde man, geen lieverdje, maar ook geen slechterik. Iemand met veel pech. Pech met zijn omstandigheden, pech met zichzelf.

Het was interessant om Skin van Hanro Smitsman daarna te zien. De film blijkt niet zo te houden van ‘zo ging het gewoon’. In de film is Nico Frank geworden en Frank heeft een schat van een moeder die sterft aan kanker, een vader die zó getraumatiseerd is door het kamp dat hij eigenlijk voor niets of niemand aandacht heeft, en een zwarte vriend die hij door dik en dun verdedigt. Eigenlijk, krijgen we de indruk, kan Frank gewoon niet tegen onrechtvaardigheid, hij hongert naar liefde en sympathie, en als hij die op een gegeven moment van skinheads krijgt, dan wordt hij skin. En dan gebruikt hij bij een vechtpartij ook ineens een mes. In de gevangenis blijft hij zo’n ridder die opkomt voor de zwakkeren en dan wordt hij zelf neergestoken.

Tja. Zo’n verhaal is in al zijn gladheid, met de zéér lieve scènes aan het ziekbed van moeder, de voortdurende nadruk op Franks multiculturele instelling, het veranderen van de vader in een regelrechte geesteszieke, eigenlijk niet meer erg interessant. De kunst verliest het hier van de werkelijkheid, de kunst is te braaf, te excuserend, te idealiserend. Het leven is veel rauwer. En aangrijpender.