Hezbollah neemt delen van Beiroet in

De politieke crisis in Libanon is geëscaleerd doordat gewapende aanhangers van de shi’itische oppositiebeweging Hezbollah het islamitische gedeelte van de hoofdstad Beiroet hebben ingenomen.

De laatste militiestrijders loyaal aan de sunnitische leider van de regeringsmeerderheid in het parlement, Saad Hariri, de zoon van de in 2005 vermoorde ex-premier Hariri, gaven zich vanochtend over. Bij de gevechten zijn ten minste elf doden gevallen.

Het regeringsleger nam vanochtend posities in het islamitische gedeelte van de stad in die zijn verlaten door de regeringsgezinde strijders, maar het hield zich afzijdig van de gevechten. Het Libanese leger geldt als neutraal.

De opmars van het fundamentalistische Hezbollah vormt een regelrechte bedreiging voor het voorbestaan van de door het Westen ondersteunde regering. De parlementsfracties van de regeringspartijen kwamen vanmiddag voor crisisberaad bijeen op een locatie buiten Beiroet.

Het grootschalige geweld brak uit nadat Hezbollah-leider Nasrallah gistermiddag de Libanese regering beschuldigde van een „oorlogsverklaring” aan zijn organisatie, een verwijzing naar maatregelen van de regering tegen het communicatienetwerk van Hezbollah. Hezbollah strijdt sinds eind 2006 tegen de regering van premier Fouad Siniora om een beslissende stem in het landsbestuur te krijgen. De regering weigert aan deze eis tegemoet te komen.

De machtsgreep van Hezbollah in Beiroet werd gisteren onderstreept door de bestorming van het gebouw van de televisiezender van parlementsleider Saad Hariri. Shi’itische militanten haalden de zender uit de lucht. Eerder op de dag had Hariri via de zender Hezbollah aangeboden om het leger te betrekken bij een politiek compromis, ter voorkoming van „een burgeroorlog”. Hezbollah wees dit aanbod gisteravond af.

Hezbollah geniet steun van Syrië, dat door de Libanese regering wordt verdacht van betrokkenheid bij de moord in 2005 op toenmalig premier Rafik Hariri.

Syrië ontkent betrokken te zijn geweest bij die aanslag. (Reuters, AP)

Libanon: pagina 5