Het trage talent uit de periferie

Gisteren overleed Willem Brakman in Enschede.

Een schrijver van een mooi en groot oeuvre met een te klein lezerspubliek.

Foto Vincent Mentzel Willem BRAKMAN,auteur. foto VINCENT MENTZEL/NRCH ==F/C==Enschede, 31 augustus 2003 Mentzel, Vincent

Wie Brakman leest, heeft al snel een dubbele ervaring. Eerst de gedachte: wat is dit goed! Enkele pagina’s later gevolgd door een wat onzekerder: ik geloof niet dat ik het helemaal begrijp. Dat vindt zijn oorzaak in de manier waarop Brakman schreef. Hij geloofde niet in en detail geconstrueerde verhalen, maar noemde zich ‘een diepgelovige wat betreft de inval’.

Vanuit de inval schreef Brakman in een hoog tempo een groot oeuvre van veelal kleine boeken bijeen. Als de ene Brakman verscheen, had hij vaak de volgende al ingeleverd. „Mensen denken dat ik snel schrijf”, zei hij „Dat is een misvatting. Ik schrijf wel onophoudelijk. Ik heb een traag talent.”

Dat trage talent trad de Nederlandse letteren in 1961 binnen. Zijn literaire debuut kwam voort uit zijn correspondentie met de dichter Nol Gregoor (1912-2000). Die las Brakmans eerste verhaal voor aan Simon Vestdijk, die ervan onder de indruk was. Zo verscheen in 1961 Een winterreis. Brakmans debuutroman werd bekroond met de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. Vele prijzen volgden, zoals de Bordewijkprijs (voor Zes subtiele verhalen, 1979) en in 1980 de P.C. Hooftprijs (voor zijn hele oeuvre).

In minder dan een halve eeuw publiceerde Brakman meer dan 50 bescheiden romans, waarin het verzet tegen de vergankelijkheid en de verhouding tussen werkelijkheid en verbeelding de belangrijkste thema’s zijn. De postmoderne inslag van zijn oeuvre, en zijn surrealistische manier van vertellen, heeft Brakman nooit een groot lezerspubliek opgeleverd.

Dat zijn invalgestuurde manier van schrijven Brakman de reputatie opleverde een ontoegankelijk auteur te zijn, en dat hij het moest doen met een beperkte schare liefhebbers, leek hem nauwelijks te deren. Hij wantrouwde de literaire wereld (die hem tot zijn grote woede in 1997 uit de permanente tentoonstelling van het Letterkundig Museum verwijderde) en stelde zich tevreden met zijn verblijf in de periferie. Brakman wilde ook uit de buurt blijven bij wat hij de massaliteit van de kunstindustrie noemde. „Die is in staat binnen een week Connie Palmen aan de top der toppen te krijgen. Kwaliteit speelt daar nauwelijks nog een rol en dat maakt me doodsbang. Ik heb 50 boeken geschreven, dat heeft me niet meer dan kopergeld opgeleverd, maar heb nooit een seconde gedacht ik hou ermee op. Dat is een bewijs van goed schrijverschap.”