Het gaat beter met Dickisoni. Er is zeep en er zijn koeien

Drie jaar Nederlandse hulp aan Dickisoni heeft het dorp verlost van de ergste armoede.

Voor zolang het duurt. Want de grond raakt uitgeput en misoogsten dreigen.

Wie niets bezit, heeft weinig te wensen. Wie niets bezit, verlangt alleen maar naar voedsel. Pas als de armoe minder schrijnt, verschijnen andere wensen. Er komt geen einde aan. Dat heet ontwikkeling.

„Er was eens een dorp.” Zo begin ik mijn toespraak. Vrijwel alle driehonderd bewoners van Dickisoni hebben zich verzameld op het dorpsplein. Ze zitten in het zand, zoals de traditie dat voorschrijft: vrouwen rechts, mannen links, kinderen in het midden. Het is aan het eind van de middag. De zon werpt lange schaduwen.

„Het was een arm dorp”, ga ik verder. „Je kunt je niet voorstellen hoe arm dat dorp was. Er stonden alleen maar lemen huizen met strooien daken. Ik kwam er in de oogsttijd en de helft van de mensen had al niet meer te eten. Ze hadden geen maïs geoogst. Of ze hadden de schaarse maïs al opgegeten voordat hij op de akker had kunnen drogen. Nergens zag ik bolle wangen of vlezige heupen. De mensen bewogen zich traag.”

„Zo arm waren de mensen in dat dorp”, zeg ik. Ik laat een pauze vallen. „Dat ze niet eens geld hadden voor een stuk zeep. Ongewassen lieten ze hun kinderen niet naar school toe gaan. Onrein meden ze op zondag de kerk. Wie op zijn rieten mat lag te rillen van de koorts, kon alleen maar bidden. De paar munten voor pillen tegen de malaria hadden ze niet.”

Ik laat mijn blik gaan langs al die bekende gezichten. Hier en daar knikken er hoofden. Ze herkennen hun dorp. Dat is Dickisoni, op nog geen tachtig kilometer van de Malawiaanse hoofdstad Lilongwe. Een gehucht dat op geen kaart te vinden is.

„Drie jaar later kwam ik terug in dat dorp”, vervolg ik. „Ik kon mijn ogen niet geloven. Ik herkende het dorp bijna niet meer. Er stonden een paar bakstenen huizen met golfplaten daken. Er was zelfs een winkeltje waar zeep en zout werd verkocht.”

„Toch waren de mensen niet tevreden. Na twee jaar van goede regens hadden ze pech gehad met het weer. Te lang liet de regen op zich wachten. Te vroeg hield hij op. De maïsoogst viel tegen. In sommige huizen zou dat jaar weer honger worden geleden. Maar de nood was onvergelijkbaar met drie jaar tevoren. Alle huishoudens, op één na, hadden ten minste één ossenkar aan maïs geoogst: 400 kilo. Vrijwel alle huishoudens hadden tabak geteeld voor de verkoop. En overal in het dorp wemelde het van de kippen en geiten. Er liepen ook varkens rond en koeien. Dorpelingen hadden net de ‘magere maanden’ achter de rug waarin ze altijd honger lijden. Nog droegen ze vet op de botten. Arm was het dorp nog altijd. Maar niet meer zo hopeloos arm als drie jaar geleden. De meeste huishoudens beschikten over de reserves om ook een slecht jaar te doorstaan.”

Ik zwijg. Een peuter begint te zwengelen aan de dorpspomp. Mannen gebaren dat de vrouwen moeten ingrijpen. De eerste van een reeks sprekers staat op. En één voor één betuigen ze hun bijval. Dickisoni heeft zich verheven. „We zien er bijna fatsoenlijk uit”, constateert een man, tot zijn eigen verbazing lijkt het wel. „Niemand draagt meer tot op de draad versleten kleren.”

„Iedereen heeft wel wat geld om met een ziek kind naar de dokter te gaan”, zegt een ander. „En de meesten hoeven niet meer in een buurdorp een fiets te lenen voor het vervoer.”

Dickisoni heeft zich verheven. Kan het nu op eigen benen staan? Na een eerste verhaal over Dickisoni in het maandblad M van NRC Handelsblad begonnen lezers tweeënhalf jaar geleden spontaan geld over te maken. Zo is de hulporganisatie Vrienden van Dickson ontstaan. Sindsdien krijgen alle huishoudens in Dickisoni jaarlijks kunstmest en maïsmeel. Twee jaar geleden is die hulp uitgebreid naar omliggende dorpen: Chioko, Zenga, Chakoma, Chatonda en Utabwalero. Bijna 350 huishoudens in totaal. Dankzij geld van Rotary Lekkerkerk kregen die dorpen ook schoon water uit een dorpspomp. Er kwam een lagere school voor alle dorpen. Ouders konden kinderen naar de middelbare school sturen, omdat het schoolgeld werd betaald.

Voor de achtste keer loop ik hier rond in Dickisoni. Samen met Yvonne van Rooij, penningmeester van de Vrienden van Dickson, kom ik kijken wat de hulp heeft opgeleverd. En hoe het verder moet. Overal waar we komen, worden we geconfronteerd met nieuwe noden, nieuwe wensen. Een school voor volwassenen. Trappompen om de wintertuinen te bevloeien. Opvang voor wezen. Iedereen kan ‘assistentie’ gebruiken, zoals hulp hier heet.

We hebben een paar lessen bijgewoond op school. Het schoolhoofd noodt ons voor een onderhoud in zijn kantoor. In zijn hagelwitte, volstrekt lege kantoor. Dan zien we het met eigen ogen. Daar kan hij toch niet werken? Daar kan hij toch geen gasten ontvangen? Er staat niet eens een stoel. Kunnen we hem niet aan twaalf stoelen helpen? En aan een bureau? En aan een vergadertafel?

Nu we toch bezig zijn, weten we wel hoe weinig een onderwijzer hier verdient? Maandelijks hooguit 12.000 kwacha, ruim 50 euro. Is het een wonder dat hij altijd zoekt naar bijverdiensten? Kunnen we de staf geen maandelijkse bonus geven? Dan kunnen de onderwijzers zich volledig concentreren op het onderwijs.

En hun aanzien zou onmiddellijk stijgen als ze uniformen droegen. Allemaal een stofjas met het opschrift ‘St Peter’s School Dickson’. Wat is dat trouwens een prachtige vulpen waarmee ik schrijf. Kan ik er een volgende keer misschien twee voor hem meenemen? Diezelfde avond komt hij speciaal op zijn fiets naar het dorp. Hij was nog een wens vergeten. Een bibliotheek bij de school.

Andere mensen lossen hun problemen zelf wel op. Zoals de oude meneer Wilson (68). Samen met zijn vrouw zorgt hij al zes jaar voor twee kleindochters van wie de ouders aan aids zijn overleden. Wat moet er van ze worden als hij er niet meer is? Hij weet het niet.

Een paar dagen later weet hij het wel. Ze hebben het erover gehad, hij en zijn breekbare vrouw Keterina. Gaat hij een beroep op ons doen? Dan hebben we de oude Wilson toch onderschat. Een deel van de opbrengst van de tabak zetten ze op de bank voor de twee weeskinderen. Ook al moet hij voor de dichtstbijzijnde bank helemaal naar de hoofdstad. Ook al kost het openen van een bankrekening zeker 700 kwacha, drie euro. De kinderen laten ze niet onverzorgd achter.

Drie jaar hulp aan Dickisoni heeft de meeste bewoners verlost van de baarlijke armoede waaraan niemand op eigen kracht ontkomt. Ze redden zichzelf en ze redden elkaar. Voor zolang het duurt. Met elke oogst raakt de schrale grond verder uitgeput, klimaatverandering vergroot het risico van misoogsten. Maar daarover maakt de bejaarde Sesiria Ernesto zich niet druk. Ze heeft drie jaar van voorspoed achter de rug, „die neemt niemand me af”.

Dick Wittenberg was in Dickisoni van 13 tot 27 april.