Grondwet aanpassen aan het Europese recht

Nu het Nederlandse recht steeds meer Europees recht opneemt, wordt het tijd om onze Grondwet daarop aan te passen. Burger en parlement staan nu buitenspel, betoogt Wim Voermans.

Een groot deel van de Nederlandse wetgeving komt uit Brussel, maar Nederland kijkt de andere kant op, menen Judith Merkies en Marcel Canoy in deze krant. (Opiniepagina, 24 april). Volgens hen wordt het tijd om de bestuurlijke werkelijkheid eindelijk eens serieus te nemen.

Dat klopt als een bus. Al sinds 1964 werken veel Europese besluiten rechtstreeks door in Nederlandse en rond de twintig procent van onze wetgeving komt inmiddels uit Brussel.

De vraag is echter óf we wel de andere kant op kijken. Wellicht kijken we wel degelijk naar Brussel, maar hebben we domweg veel te weinig invloed op de Europese besluitvorming. Terwijl Brussel wetgeving maakt die direct of indirect in ons recht doorwerkt, kunnen wij, de Nederlandse burgers via het Nederlandse parlement, daar weinig invloed op uit- oefenen. Dát is het werkelijke probleem.

De bron van dat probleem ligt echter niet in Brussel, maar in Nederland zelf. Het is de Nederlandse regering die ons te weinig kans geeft om mee te praten op een moment waarin alles nog open ligt. Waar dat toe kan leiden, merkten we bij het referendum voor de Europese Grondwet in 2006. Toen Nederlanders eindelijk de mogelijkheid kregen om hun zegje te doen, zetten ze de hakken in het zand. Het wordt hoog tijd dat we wél invloed uit kunnen oefenen.

Een manier om dat te bereiken, is door de Nederlandse Grondwet te herzien. Daarin wordt gegarandeerd dat iedere Nederlander, via het parlement, mee kan praten over de totstandkoming van Nederlandse wetten. Maar over Europese wetgeving, toch minstens even belangrijk, wordt in onze Grondwet niet gerept. In de huidige Grondwet komen termen als ‘Europa’ of ‘Europese Unie’ zelfs niet voor. Laat staan dat onze Grondwet regelt hoe burgers of het parlement invloed op de Europese wetgeving uit kunnen oefenen.

Net als veel grondwetten in andere Europese landen, zou de Nederlandse Grondwet moeten erkennen dat we al lang en breed lid zijn van de Europese Unie. En dat het Europees recht ook rechtstreeks doorwerkt in onze rechtsorde. Vervolgens moet onze Grondwet regelen hoe Nederlandse burgers dat Europese recht kunnen beïnvloeden.

In meer dan tien Europese landen gebeurt dat als volgt. Wanneer in Brussel nieuwe wetgeving op stapel staat, dan zorgt een minster uit zo’n lidstaat ervoor dat dit voorstel direct op de agenda komt in zijn eigen nationale parlement. Dat nationale parlement bespreekt vervolgens met de minister het voorstel en kiest eventueel een nationaal standpunt. Pas na zo’n gesprek, en niet eerder, kan de minister naar Brussel om over het voorstel te onderhandelen. Zoiets heet ‘een behandelingsvoorbehoud’.

In Nederland kennen we geen behandelingsvoorbehoud. Nederlandse ministers bespreken helemaal niets voor met het parlement. Het is de regering, of een minister zelf, die in eerste instantie de Nederlandse inzet vaststelt. Het parlement komt er pas veel later aan te pas. Gedurende de rit wordt de Kamer louter op de hoogte gehouden van de tussenstanden. Zo hebben de Tweede Kamer, en de Nederlandse burgers die de Kamer kiezen, in feite het nakijken.

Het gevoel van frustratie en het idee dat de burger over Europa niks te vertellen heeft, is voor een groot gedeelte dan ook terecht.

Helaas is de Nederlandse regering niet van zins dit systeem aan te passen. Nederlandse ministers raadplegen het parlement liever niet op het moment dat alles nog open ligt, want dat beperkt hun manoeuvreerruimte in Brussel. Deze gang van zaken is bizar, niet democratisch en leidt tot onthechting van de Nederlandse bevolking voor het Europese project.

En dat moet anders: liefst net als in veel andere Europese landen waar regeringen hun parlementen wél op voorhand raadplegen.

W.J.M. Voermans is hoogleraar Staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Leiden.