Gluren

Het begon al in de rij voor de kassa. Een kleine vrouw duwde met haar winkelwagen tegen me aan. Heel zachtjes, genoeg om mij te irriteren. Net niet voldoende om er iets van te zeggen. Toen ik mijn boodschappen op de band had gelegd, begon ze mijn boodschappen dichter op elkaar te pakken zodat zij die van haar alvast neer kon leggen. Ze hupste op haar tenen om uitdrukking te geven aan haar gierende ongeduld. Uit alle macht probeerde ik me op iets anders te concentreren maar ik kon mijn ogen niet van haar afhouden.

Zodra de caissière een prei over de scanner had gehaald, greep ze de stronk uit de hand van het winkelmeisje en wierp hem in haar tas. Terwijl ik mijn sinaasappels en melk nog in mijn tas stond te wurmen, had zij alles al ingepakt. Ik bleef haar nakijken toen ze de winkel uitliep met korte, driftige pasjes. Zelden heb ik iemand zo gehaat. Waarom blijf ik kijken naar iemand die het bloed onder mijn nagels vandaan haalt?

Eenzelfde stugheid stak in mij de kop op bij het lezen van Notes from an exhibition (2007) van Peter Gale. Hoewel Stephen Fry het bestempelde als complete perfection, heeft het boek me van begin tot eind geërgerd. Het verhaal over een depressieve schilderes interesseerde me niet; en haar kinderen, die stuk voor stuk benadrukken hoe egocentrisch kunstaars zijn, al helemaal niet. Noch in de geschiedenis, noch in de stijl viel iets verrassends te ontdekken, en ik verveelde me met elke letter die ik las. Toch bleef ik stug doorlezen.

Ik moest denken aan een passage uit de biografie van Charles Bukowski door Barry Miles (2005) waarin Bukowski in de zomer van 1939 niemand heeft om mee te nemen naar het schoolbal van de Los Angeles High School. Hij gluurt door een raam van de gymzaal naar binnen en ziet zijn klasgenoten opeens als rijzige, prachtig geklede volwassen, en wordt zich pijnlijk bewust van zijn eigen gehavende verschijning. Een mengeling van walging en jaloezie maakt hem misselijk, maar hij blijft kijken. In de roman Ham on Rye (1982) komt hij terug op het voorval: And yet I knew that what I saw wasn’t as simple and good as it appeared. There was a price to be paid for it all, a general falsity, that could be easily believed, and could be the first step down a dead-end street.

Ik bleef tot de laatste pagina van Notes from an exhibition hopen dat het boek uit zijn eigen patroon zou vallen, zoals ik de vrouw in de rij voor de kassa wilde betrappen op een ongerijmdheid. Ik wenste dat ze als een film die niet goed is gesneden ergens zou haperen, hoe kortstondig ook. Daarom kon ik haar geen moment uit het oog verliezen.

Ik vermoed dat Bukowski iets vergelijkbaars overkwam toen hij zijn rol als buitenstaander innam voor het raam. Hij kon zich niet losmaken waar hij van walgde en hoopte op een scheurtje in de suikerdroom die zich voor zijn ogen afspeelde. In gedachten sta ik naast hem te kijken hoe opgewekte jonge mensen zich wentelen in de opgelegde volmaaktheid van een feestavond. Ik wens dat iemand uitglijdt, dat iemand iets zegt met de verkeerde stem. Maar voordat zoiets kan gebeuren worden we hardhandig verjaagd van het schoolterrein door een bewaker die ons uitmaakt voor vuile gluurders. Hij veegt ons met zijn zaklantaarn uit de nacht.