Gij zult ongedwongen zijn

De wereld wordt informeler en wij informaliseren mee. De socio- loog Cas Wouters beschreef hoe de etiquette er een is geworden van ‘het gecontroleerd loslaten van controlemechanismen’.

Cas Wouters: Informalisering. Manieren en emoties sinds 1890. Bert Bakker, 388 blz. € 29,95

In het ‘manierenboek’ Etiquette for Gentlemen dat in 1923 in Londen verscheen werd de lezer op het hart gedrukt in zijn beschaafde omgang nooit of te nimmer een geforceerde indruk te maken. Wie zich een man van de wereld wilde tonen, moest in die wereld moeiteloos lijken thuis te zijn. Hoogst belangrijk was het zich ongedwongen te bewegen, te kleden en te lopen. ‘Wees natuurlijk,’ prentte dit boek zijn lezer in. Om daaraan onmiddellijk toe te voegen: ‘Ga naar een goede kleermaker, ook al is die misschien iets duurder...’

Goede manieren zijn altijd een kunst geweest, in de meest letterlijke betekenis van het woord. Ze zijn een mens nooit van nature komen aanwaaien en hebben die natuur altijd geprobeerd te kneden en te temmen: precies daarom waren het goede manieren. Maar die kunstmatigheid moest tegelijk zo goed mogelijk worden verhuld. Wie écht wist hoe het hoorde, toonde dat alsof het vanuit zijn eigen, tweede natuur kwam.

Die paradox van de ‘natuurlijke manieren’ is een van de vele die voorbijkomen in het boek Informalisering, waarin de socioloog Cas Wouters beschrijft hoe sterk de omgangsvormen in de afgelopen honderd jaar veranderd zijn. Hij doet dat in het verlengde van de civilisatietheorie van Norbert Elias, wiens historische beschrijving ongeveer ophoudt waar die van Wouters begint. In zijn in 2005 verschenen studie Seks en de seksen beschreef Wouters de veranderende relaties tussen de geslachten. In Informalisering, dat vorig jaar al in het Engels werd gepubliceerd, gaat het over de verhouding tussen de klassen.

Dankbaar maakt Wouters gebruik van de talrijke etiquetteboeken die in de afgelopen eeuw verschenen zijn. Ruim 150 daarvan, afkomstig uit Nederland, Duitsland, Engeland en de Verenigde Staten, heeft hij in deze studie geanalyseerd. Dat betekent dat Wouters zijn blik beperkt heeft tot het noordelijk gedeelte van Europa en haar uitloper in de VS: stuk voor stuk landen met een protestants ethos. Maar zelfs in hun relatieve eenvormigheid weet Wouters intrigerende verschillen tussen de nationale etiquettes naar voren te halen.

Naaktcultuur

Zo is het opvallend hoe veel vormelijker het Duitse openbare leven was dan het Engelse, aldus Wouters. Maar van oudsher werd die vormelijkheid in evenwicht gehouden door een veel grotere informaliteit, zodra tussen twee mensen de vriendschap eenmaal was beklonken. Zo kon het Duitse leven zowel afstandelijker als intiemer zijn dan het Engelse. Alleen in Duitse manierenboeken kon men verhandelingen vinden over hoe zich te gedragen in de daar populaire naaktcultuur.

Intrigerend is ook de afwezigheid van het thema ‘klasse’ in de Engelse en Amerikaanse etiquetteboeken, terwijl de Duitse en Nederlandse daar veel onbekommerder over spraken. Ook dat is paradoxaal, omdat Engeland bij uitstek een klassensamenleving was (en deels nog is) en de vraag wie tot de ‘goede kringen’ behoort in de VS menige sociale stijger (en vooral stijgster) uit de slaap kon houden. Hoe wist men in een dynamische samenleving zonder oude adel wiens huis men moest frequenteren (en wiens vooral niet) om ‘erbij’ te horen?

Het beeld dat deze samenlevingen van zichzelf hadden, verhinderde echter een openlijke bespreking van dat heikele thema. Het Amerikaanse gelijkheidsideaal beantwoordde misschien maar matig aan de werkelijkheid, maar het behoorde wel tot de kern van het nationale besef, en daarin paste een openlijke erkenning van klassen niet goed.

Met dat laatste hadden de Engelsen veel minder problemen. Maar net als over de ‘lagere’ lichamelijke functies (waaronder al snel vrijwel het hele lichaam viel) spraken zij er liever niet over, uit wat je een soort sociale smetvrees zou kunnen noemen. Afgezien van huispersoneel, schrijft Wouters, waren parvenu’s of nouveaux riches vrijwel de enige vertegenwoordigers van de lagere klassen die in Engelse manierenboeken voorkwamen.

Daar kwam gaandeweg verandering in. Ten tijde van de Roaring Twenties constateerden Engelse manierenboeken dat het klassenonderscheid aan het afbrokkelen was. De samenleving was meer en meer met zichzelf verweven geraakt, en daardoor waren ook de afstanden tussen de verschillende bevolkingsgroepen sterk verminderd. En het gevolg dáárvan was weer dat de omgangsvormen steeds minder formeel werden. ‘Dat oude instituut, de dienstbode [...] is morsdood,’ zo stelde kort voor de Tweede Wereldoorlog een etiquetteboek vast. ‘Maar,’ zo vervolgde de schrijfster, ‘weet u hoe u met het moderne dienstmeisje om moet gaan?’

Het verdwijnen van het rigide klasseverschil maakte alle mensen nog niet direct gelijk. De nieuwe mores vroegen alleen om een ander soort tact. Steeds minder werd het geaccepteerd dat mensen zich lieten voorstaan op hun natuurlijke superioriteit in de samenleving. In tegendeel, verwijzingen daarnaar werden geslagen door een nieuw taboe – en over klasseverschillen werd dus nog altijd niet gesproken.

Dit nieuwe taboe op wat Wouters ‘superiorisme’ noemt is kenmerkend voor wat er in de afgelopen eeuw met de omgangsvormen is gebeurd. In opeenvolgende golven (eerst tijdens de Belle Époque, dan in de Roaring Twenties, vervolgens in de Sixties) werd hun rigiditeit ingeruild voor een spontane informaliteit waarin het aloude gebod van bestudeerde natuurlijkheid een nieuwe betekenis kreeg.

Een terugkeer naar het stadium van de ‘edele wilde’ bepleitte deze wending immers nooit – ook al leek dat er tegen het einde van de jaren zestig soms wel op. In werkelijkheid school ook hier de paradox dicht onder het gras: de spontaniteit die van ieder werd verwacht werd, op de keper beschouwd, net zo dwingend opgelegd als voorheen de omgangsregels binnen de betere kringen.

Ultieme aanstoot

Ongedwongenheid was daarmee niet alleen gebod geworden. Ze werd ook nog eens ingeperkt door de rigide grens van het superioriteitstaboe. Zelfverheffing en vernedering van anderen – op grond van eigen verdiensten en des te meer van geboortekenmerken: klasse, sekse, ras of natie – werd de ultieme aanstoot, gegeven door wie werkelijk niet wist hoe het hoorde. De vrijwel onaantastbare overtuiging dat alle mensen fundamenteel gelijkwaardig zijn, vormde de ideologische stut onder deze nieuwe gedragsregel.

Overtuigend laat Wouters zien dat de informalisering die zich een eeuw lang met wisselende aandrang (en soms tijdelijke terugtrekking) heeft doorgezet geen simpele bevrijding van het gedrag geweest is. De regulering daarvan heeft zich misschien alleen maar steeds sterker laten gevoelen. Of beter gezegd: de plaats van waaruit zij hun druk uitoefenden is verschoven. De do’s and don’ts van het klassieke civilisatie-ideaal vormden een ijzeren en tamelijk stabiel stramien dat de beschaafde burger in zijn opvoeding hardhandig werd ingeprent en dat hij zijn leven zou meedragen als zijn sociale geweten, zo constateert Wouters mét Norbert Elias.

Maar in de 20ste eeuw lijkt er een omslag te hebben plaatsgevonden. Het sociale superego dat de gentleman zo volmaakt als zijn (tweede) natuur had weten te presenteren, werd zélf informeler. Niet alleen de natuurlijke wijze waarop de regels werden nageleefd kenmerkten nu het door- en-door beschaafde individu, maar ook de wijze waarop hij zélf met die regels wist om te gaan. In plaats van ze te beschouwen als onwrikbare wetten, leerde hij met hen te woekeren, te onderhandelen en zelfs te spelen, om antwoord te geven op de steeds diverser wordende sociale situaties waarin hij terecht kon komen en die om een almaar grotere flexibiliteit vroegen.

Zo is de etiquette na een eeuw van informalisering er een geworden van het gecontroleerd loslaten van controlemechanismen, aldus Wouters. Dankzij deze onderhandelingshuishouding van het ego met de eigen leefregels hebben ook de emoties en het driftleven hun rechten hernomen. Voorheen werden zij gemeden als een gevarenzone waarin men sociaal en moreel gemakkelijk op ‘hellend vlak’ raakte. Maar inmiddels mogen zij onbekommerd verschijnen in het sociale leven, dat geleerd heeft om te gaan met risico’s en deze zelfs zoekt. De versoepeling van de seksuele mores is daar alleen maar één voorbeeld van.

Wouters verwacht veel goeds van deze nieuwe, ‘derde natuur’ waarin het informele sociale verkeer zich niettemin aan goedgefundeerde regels houdt. Wellicht zal daarin ook het laatste taboe van superioriteit en inferioriteit kunnen worden geslecht, zo schrijft hij aan het eind van dit rijke en vooral in de eerste hoofdstukken zeer onderhoudende boek. Enige scepsis lijkt daarbij wel op zijn plaats, al was het maar omdat een samenleving zonder enig taboe zich moeilijk laat voorstellen. De bevrijding van de seksualiteit is tenslotte ook alweer op haar retour.