Gewoon een verhaal

Ik kreeg de autobiografie van Joyce Maynard, waarin een groot gedeelte gaat over haar korte relatie met J.D. Salinger. Zij was achttien toen, hij drieënvijftig. Bijna twee keer een volwassen leven stond tussen hen in.

Haar boek werd, nu tien jaar geleden, door veel recensenten verguisd. En nog steeds. Maynard zou uit zijn op geld en roem over het hoofd van Salinger. Ik heb geen idee wat de werkelijke beweegreden was van Maynard.

Misschien wilde ze terugslaan of misschien had ze gewoon een verhaal te vertellen. Zoals er wel meer zijn met die aandrang. Stap maar een willekeurige kroeg binnen. Het boek gaat namelijk niet alleen over Salinger. Ook over haar jeugd, haar ouders, andere liefdes. Ik sla de pagina’s over haar kindertijd en al die onzin over. Ik ben daar zelden in geïnteresseerd, geloof dat we pas echt geboren worden wanneer we de ouderlijke huizen verlaten. Ik ben een van die gluurders die nooit aan het boek begonnen was wanneer Salinger er niet werd uitgekleed. En blader driftig door, zoals eens naar bepaalde pagina’s in Turks Fruit.

Het is het risico van twee schrijvers in een liefdesrelatie. Mee te gaan in verhalen of gedichten. Ik vermoed dat geen enkele schrijver de muze of mannelijke muze wil zijn van een andere schrijver. Die macht over jezelf uit handen geven is alsof iemand je pen afpakt. En aan de achterkant van je velletjes begint te schrijven. Zodat het door je eigen woorden heen schijnt.

Maynard is een stuk minder wreed of wrokkig dan ik naar aanleiding van reacties had verwacht.

Het is gewoon een verhaal over een tragische liefde. Over een jong, beïnvloedbaar meisje met een veel oudere en sterkere man. En dat gaat uit. En dat is zelden in een goed overleg. Maar Salinger houdt zijn kleren nog netjes aan. En hij leeft nog. Hij is in de gelegenheid zich te verweren. Invloed uit te oefenen op hoe hij herinnerd wordt.

Een kans die Ischa Meijer na de verschijning van I.M. niet was gegeven. Steeds weer als ik door de Reestraat fiets, zie ik de dikke man daar in zijn broek poepen.

Janneke van der Horst