Geheel in de geest van de oude Fruin

Van proportionaliteit hoor je vooral militairen spreken. ‘We had to destroy the village in order to liberate it’ (zoals een Amerikaanse officier tijdens de Vietnamoorlog naar z’n hoofdkwartier seinde), is het gangbare voorbeeld gebleven van een operatie die misschien iets proportioneler had gekund. In politiekringen wordt het woord ook vaak gebruikt. Heb je werkelijk een half peloton ME nodig om een paar voetbalvandalen klein te krijgen?

Hoeveel tijd mag je, om een vreedzamer onderwerp te nemen, als wetenschapper trouwens in een onderzoek steken als je niet van tevoren kunt zeggen of het tot een noemenswaardig resultaat leidt? Je hoort wel eens zeggen dat je ideeën ook stuk kunt discussiëren: ‘destroy the village’.

Van de 19de-eeuwse Leidse historicus Robert Fruin is een fascinerende reeks opstellen bewaard – in deel VIII van z’n Verspreide Geschriften om precies te zijn – over de vraag of een zekere Allairt Beylinc in 1425 het slachtoffer is geweest van een wrede wraakoefening (hij werd levend begraven) van Jacoba van Beieren.

Fruins eerste artikel over de kwestie verscheen in 1869 en begon zo: ‘Het onderwerp, waarover in dit opstel gehandeld wordt, is van weinig of geen belang. Heeft voor vier eeuwen zekere Beylinc, van wien wij overigens niets weten, zijn eer liever gehad dan zijn leven, en zijn leven prijsgegeven om zijn woord te houden? Van het antwoord op die vraag hangt niet één belang af [...]. Waarom de vraag dan toch besproken? Omdat het onderzoek waaruit het antwoord moet voortvloeien, als proeve van historische kritiek bijzonder leerrijk is.’

Fruin verdedigde de ‘disproportionaliteit’ van zijn inspanningen dus bij voorbaat met het argument dat het onderzoek zelf van groter betekenis was dan de eventuele uitkomst. In het prille 19de-eeuwse geschiedschrijversklimaat waar het bronnenonderzoek ineens bijna heilig was geworden, was dat een logische gedachtegang. Proeven van ‘historische kritiek’ waren vanzelfsprekend interessanter en leerrijker dan het lot van een bijna-anonymus.

Aan de hand van reacties en nader speurwerk schreef Fruin in 1872 een vervolgopstel, waarin hij conclusies uit z’n eerste artikel bijstelde, corrigeerde of zelfs helemaal terugnam. Maar daar was het nog lang niet mee gedaan. Er volgde nog een derde, een vierde en een vijfde opstel over de kwestie. Pas in 1890 zette hij een punt achter zijn nijvere speurwerk. Jacoba van Beieren was half gerehabiliteerd, Beylinc was nog wel steeds levend begraven, maar wellicht niet meer door haar toedoen, en intussen was ook nog gebleken dat de man zélf schuldig was geweest aan waarschijnlijk een politieke moord (het waren de dagen van de Hoekse en Kabeljauwse twisten). Fruin schamperde ten slotte nog wat na over de manier waarop het leven van de obscure Beylinc door Helmers, Bilderdijk en Tollens was berijmd tot mythische proporties en sloot het discours over een zaak zonder enig belang na eenentwintig jaar voorgoed af.

Hoe ‘proportioneel’ was het geweest als je het afmeet aan het resultaat?

Die vraag kun je ook stellen over de verhouding tussen input en output in het geval van de grondige studie die Mary C. van Delden heeft verricht naar kampen waarin de Indonesiërs tussen oktober 1945 en mei 1947 zo’n 50.000 Nederlanders (van Indo-Europese origine) hebben geïnterneerd (De Republikeinse Kampen in Nederlands-Indië, te bestellen via vandeldenmary @gmail.com, €41,50). Om hen te beschermen? Of om hen uit minder nobele motieven gegijzeld te houden?

Op zichzelf was en is het historische belang van wat met die 50.000 op Java gebeurd is, natuurlijk groter geweest dan dat van die ene Allairt Beylinc. Jarenlang hebben zowel de Nederlandse autoriteiten als de slachtoffers van de onvrijwillige gevangenschap volgehouden dat Indonesië welbewust gijzelaarskampen had ingericht. De tamelijk plausibele veronderstelling dat Soekarno de kampen had gebruikt, omdat hij vreesde dat heetgebakerde pemoeda’s (nationalistische jongeren - red.) in de wetteloze maanden van na de Japanse capitulatie wel eens een bloedbad zouden kunnen aanrichten onder de net uit Japanse kampen bevrijde Nederlanders die hun oude Indische leven wilden proberen te hervinden – die veronderstelling is van meet af aan verontwaardigd weggewuifd. De betrokkenen zijn altijd blijven bezweren dat ze als ‘overlevenden’ door het oog van de naald zijn gekropen.

Maar er was helemaal geen oog van de naald. Er is de kampbewoners nooit een haar gekrenkt, er zijn geen slachtoffers gemaakt, er was (mondjesmaat misschien) elke dag te eten, de Nederlanders werden door gedisciplineerde Indonesische soldaten bewaakt, en toen de situatie op Java enigszins was genormaliseerd zijn de gevangenen onder Indonesische verantwoordelijkheid keurig geëvacueerd. Dat wordt stap voor stap en hoogst methodisch aangetoond in De Republikeinse Kampen in Nederlands-Indië, waarin mevrouw Van Delden ook over de ondubbelzinnig goede bedoelingen van Soekarno nauwelijks enige twijfel laat bestaan. Indonesiës eerste president was tenslotte slim genoeg om het imago van z’n jonge republiek niet te wagen aan het mogelijk gedrag van groepen onbekookte kindrevolutionairen die hij niet helemaal in de hand had.

Jaren onderzoek, bijna zeshonderd pijnlijk nauwgezet volgeschreven bladzijden, en dat allemaal om een nog ontbrekend, maar uitermate klein stukje in te passen in de reusachtige legpuzzel van de naoorlogse verhoudingen tussen Nederland en z’n voormalige kolonie. In proportie?

Misschien waren de inspanningen niet helemaal in verhouding met een uitkomst waarvan de waarschijnlijkheid allang werd aangenomen. Maar in de geest van Fruin heeft Mary van Delden een zeer leerrijke proeve van historische kritiek afgelegd.