Games

Als de mensen aan hun laatste vijftig dollar toe zijn, doen ze nog drie aankopen: melk, eieren en een videogame – volgens Colin Sebastian, een analist van de Amerikaanse gamesmarkt. Het is niet zomaar een leuke opmerking; hij heeft de bewijzen bij de hand. De Amerikanen wankelen op de rand van een recessie en juist onder deze omstandigheden is Grand Theft Auto IV verschenen. Nu al een onverbiddelijke bestseller, een opluchting, een troost. Een middel om te kalmeren, als een sigaret, zoals een ex-roker zei.

Het decor van deze Grand Theft is Liberty City, dat sterk op New York lijkt. Het kan wel veertig uur duren voor je het spel tot een goed einde hebt gebracht. Je hebt dan met een kettingzaag een agent vermoord, met een honkbalknuppel een prostituee na bewezen diensten de schedel ingeslagen en nog het een en ander aan geringere geweldpleging achter de rug. Geen wonder dus dat de stormloop van de kopers gepaard gaat met de bezorgde commentaren van de pedagogen. Op YouTube is een video te zien waarin een deskundige erop wijst dat sinds de komst van de televisie, in 1950, en de daarmee gepaard gaande visuele geweldpleging, het aantal moorden in Amerika verdubbeld is. Hij wordt weer tegengesproken door de gamers die hem een schijnheilige fatsoensrakker noemen.

Een nieuwe ronde in een stokoude discussie. Ik heb er nog eens Het Geval Kleyn op nageslagen, het eerste avontuur van Dick Bos zoals getekend en geschreven door Alfred Mazure. Een boekje van 216 pagina’s, verschenen in 1940. Het kostte een kwartje. Het gaat over de handel in verdovende middelen en blanke slavinnen, Bos wordt ontvoerd, er worden rake klappen uitgedeeld, en tenslotte zegeviert het recht en wordt de deugd beloond. Je zou dus denken dat geen kind daardoor op het verkeerde pad werd gebracht. De opvoeders dachten er anders over. Wie in de klas met een Dick Bos boekje werd betrapt, werd twee dagen van school gestuurd.

De volgende stap in de escalatie kwam met de horror comics in de jaren zestig. Strips met wreedaardige slachtpartijen. Ik herinner me een tekening waarop je ziet hoe een schoolmeisje met een priem in het oog van een concurrente steekt. Er verscheen een boek, Seduction of the Innocent, van een psychiater, Fredric Werthem, met een selectie van de ergste plaatjes. Het heeft niet geholpen. In plaats daarvan kwamen de zombie-films in de mode, met een nieuwe generatie gruwelen.

In de jaren negentig betraden we de digitale beschaving, waardoor, zoals we ook al jaren weten, de grenzen van de virtuele geweldpleging tot in het oneindige zijn verlegd. Telkens weer blijkt dat we het nog vernuftiger, spannender, wreedaardiger kunnen aanpakken. Telkens komen dan de opvoeders verklaren dat er iets ergs aan de hand is, en onherroepelijk worden ze voor fatsoenrakkers uitgescholden. Waarom, vraag je je af, wordt in het bedrijfsleven eigenlijk nog reclame gemaakt? Want volgens de theorie van de gamers zou die dan ook vergeefs zijn.

In de escalatie van het gamesgeweld herhaalt zich deze discussie tot in het oneindige, en vergeefs. Mij zou het niet verbazen als onze Oostenrijkse vader en kelderbouwer Josef Fritzl over een jaar of vijf als inspirator van een game zou dienen. En dat het dan storm zou lopen, zoals nu al bij het huis waar hij heeft gewoond.