Een traag talent met postmoderne inslag

Schrijver Willem Brakman had een surrealistische manier van vertellen. Het leverde hem geen groot lezerspubliek op. „Ik bezit een eigen stem, die moet je koesteren.”

Het mausoleum. Zo noemde Willem Brakman de kast in zijn woonkamer waar zijn meer dan vijftig boeken rug aan rug in geklemd stonden. Nooit keek Brakman, die gisteren na een lang ziekbed op 85-jarige leeftijd in Enschede stierf, zijn eigen werk nog in. „Een mens maakt ook geen graf open”, zei hij enkele jaren geleden in een interview met deze krant. „Dat vindt u misschien eigenaardig, maar gewone mensen schrijven geen goede boeken.”

Dat laatste had het motto van zijn schrijverschap kunnen zijn. Want het oeuvre dat hij sinds zijn (late) debuut op 39-jarige leeftijd opbouwde, is even goed als ongewoon. Wie Brakman leest, denkt eerst: wat is dit goed! Maar enkele pagina’s later volgt onzekerheid: ik geloof niet dat ik het helemaal begrijp. Dat komt door de manier waarop Brakman schreef. Hij geloofde niet in en detail geconstrueerde verhalen, maar noemde zich „een diepgelovige wat betreft de inval”. Dat uitte zich bijvoorbeeld in zijn fietstochten in de omgeving van zijn huis in Boekelo: „Dan neem ik pen en papier mee. Als me iets te binnen schiet, stap ik meteen af om het op te schrijven. Dat kan dan het gebrabbel van een gek lijken, bijvoorbeeld de woorden ‘eidooier’ en ‘roskam’.”

Langs die wegen schreef Brakman een groot oeuvre van veelal kleine boeken bijeen, in een tempo dat zijn uitgever soms op achterstand zette: als de ene Brakman verscheen, had hij de volgende al ingeleverd. „Mensen denken dat ik snel schrijf, maar dat is een misvatting. Ik schrijf wel onophoudelijk. Ik heb een traag talent.”

Dat trage talent trad de Nederlandse letteren in 1961 binnen. Daarvoor had de jonge student Willem Brakman zich vol gezogen met Nijhoff en Marsman, maar uiteindelijk, denkend aan de scheepsarts Slauerhoff, voor een medicijnenstudie gekozen. Hij werd huisarts en later bedrijfsarts. Zijn debuut kwam voort uit zijn correspondentie met de dichter Nol Gregoor (1912-2000). Die las Brakmans eerste verhaal voor aan Simon Vestdijk, die ervan onder de indruk was. Zo verscheen in 1961 Een winterreis. Het boek werd bekroond met de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. Vele prijzen zouden volgen, waaronder de Bordewijkprijs (voor Zes subtiele verhalen, 1979) en de P.C. Hooftprijs (voor zijn hele oeuvre, 1980).

In Brakmans werk waren het verzet tegen de vergankelijkheid en de verhouding tussen werkelijkheid en verbeelding de belangrijkste thema’s. De schrijver, wiens ironische proza vol archaïsmen en literaire verwijzingen soms barok overkomt, vertoonde daarbij een voorliefde voor het variëren op bekende verhalen uit de wereldliteratuur, van de opstanding van Lazarus uit de Bijbel tot het werk van Kafka.

De postmoderne inslag van zijn oeuvre en zijn surrealistische manier van vertellen heeft Brakman nooit een groot lezerspubliek opgeleverd; de meeste romans kwamen niet verder dan een eerste druk, en de laatste keer dat er een tweede kwam, was toen Jan Mulder in de Volkskrant schreef dat hij De gifmenger (2003) een „magisch boek” vond, „slow en samba.”

Brakman wantrouwde de literaire wereld (die hem tot zijn woede in 1997 uit de permanente tentoonstelling van het Letterkundig Museum verwijderde) en stelde zich tevreden met zijn verblijf in de periferie. „Ik heb er geen behoefte aan om met andere schrijvers in een bruin café te zitten”, zei hij in 2003. „Daar hoor ik niet tussen. Ik lees hun boeken ook niet of nauwelijks. Ik heb een eigen stem, die moet je koesteren.”

Brakman wilde ook uit de buurt blijven bij wat hij de massaliteit van de kunstindustrie noemde. „Die is in staat binnen een week Connie Palmen aan de top der toppen te krijgen. Kwaliteit speelt daar nauwelijks nog een rol en dat maakt me doodsbang. Daarom is het belangrijk dat goede schrijvers de moed niet opgeven. Mijn boeken hebben me niet meer dan kopergeld opgeleverd, maar heb nooit een seconde gedacht ik hou ermee op. Dat is een bewijs van goed schrijverschap.”

„Schrijven is het heilige in de alledag”, schreef Brakman in De gifmenger, „het kunnen onderscheiden tussen de saaie kiem, kern, en architectuur en de emailleglans van naad, van knooppunt en van het netwerk dat ruist als vele sprinkhaanvleugeltjes [...] Het is ook de lust tot vernielen, de wil uit de wens geboren zich aan iets te kunnen vastklampen dat stevig is en bewezen.” In het interview dat hij bij het uitkomen van De gifmenger gaf, voegde hij daaraan toe: „Schrijven heeft een element van boosaardigheid in zich. Ik schrijf intrigerend, houd het zwevend rondom een centrum van boosheid, iets troebels en ondoorzichtigs. Daarover moet je niet te ernstig doen, net als over de dood.”

M.m.v. Pieter Steinz

Recensies en interview met Brakman op nrc.nl/kunst