De theaterkinkhoest grijpt om zich heen

Giuseppe Verdi’s opera La Traviata uit 1853 eindigt ermee dat courtisane Violetta, de verloren en pas teruggevonden geliefde van Alfredo Germont, sterft aan de gevolgen van tuberculose. Maar in de schouwburg van Arnhem, gedurende de laatste, fraaie enscenering van de Nationale Reisopera, leek een deel van het publiek ernstiger aan de tering te lijden dan zij. Voortdurend stootte er wel iemand met kracht een klinkende kinkhoestvariant de zaal in – ook, of misschien wel juist, op de gevoelige momenten dat het orkest even verstomde.

Deze onaangename ziekte verspreidt zich snel over schouwburgen. Van Nabucco door de Staatsopera van Tatarstan in de Nieuwe Luxor in Rotterdam tot Gershwins Porgy and Bess met zangers van de Metropolitan Opera in het Amsterdamse Carré, er kan geen seconde stilte vallen of er breekt een kennel honden los. Schouwburgbezoek wordt zo een ergerniswekkende aangelegenheid.

En waarom? Aan het seizoen kan het niet liggen. Aan de gemiddelde leeftijd van de bezoekers evenmin – die was bij Porgy and Bess opvallend laag. Ook bestaat de mogelijkheid de hoest weg te slikken, of bijvoorbeeld een snoepje te nemen tegen de kriebel.

Nee, deze hoest heeft geen medische maar een sociale oorzaak. Niet voor niets betreft het hier zalen en gezelschappen (net) onder topniveau, waarvan kan worden aangenomen dat ze een publiek trekken dat minder ervaren is in schouwburgbezoek. Dat publiek heeft iets te bewijzen. Daarom wordt er ook niet gegeneerd en ingehouden gehoest, maar luid en triomfantelijk. Ik hoor hier net zo goed. Ik voel me thuis. Ik heb betaald, dus ik mag hoesten. En hoe.

Zo zijn er meer voorbeelden van verruwing van de omgangsvormen in de schouwburg. Passeer je op weg naar je plaats andere bezoekers, dan moet je je tegenwoordig vaak langs uitdagend uitgestoken benen wringen. Luid doorpraten tijdens de ouverture van een opera is niet uitzonderlijk – er is niets te zien, dus het is kennelijk nog niet begonnen. En uiteraard wordt na elke aria geapplaudisseerd, gejoeld en gefloten. Sommige gezelschappen, zoals dat uit Tatarstan, faciliteren dit gebruik zelfs. Na elk hoogtepuntje pauzeert het orkest en geeft het voetbalstadion vrijelijk de ruimte.

Een concertzaal is geen Pathé-bioscoop. Toneel en klassieke muziek kunnen niet kauwgumkauwend worden geconsumeerd. Het begrijpen en waarderen van theatrale metaforen en complexe composities vergt inspanning en concentratie. Anders dan bij Die Hard IV gaat er iets verloren – spanning, emotie, opbouw – wanneer men door een Brahmssonate heen sms’t. In het rumoer verdwijnt een deel van de betekenis, niet alleen voor de ordeverstoorders zelf, ook voor de rest van het publiek.

Natuurlijk is het toe te juichen dat nieuwe groepen hun weg naar de schouwburg vinden. Maar het oude ideaal van cultuurspreiding had wel ‘volksverheffing’ tot doel; niet alleen door kennismaking met de hogere kunsten maar ook door de ervaring van verfijndere omgangsvormen. Nu is het omgekeerde het geval en leidt democratisering tot devaluatie. Iedereen is welkom, dat voorop. Maar laat je grote mond en asociale gewoontes thuis. En neem keelsnoepjes mee.