De roman is een kwetsbare kunstvorm

‘Brief aan Beatrix’ en 22 andere opstellen over de roman en de romanbeschouwing Dietsche Warande&Belfort, nr. 5-6, december 2007.

Het is bon ton, niet alleen onder academici, om te klagen over de kritiek. Vooral de romankritiek zou niet meer zijn wat zij geweest is: literaire tijdschriften doen er niet meer aan en recensies in de krant zijn ‘te journalistiek’. Ook in het speciale nummer dat het Vlaamse tijdschrift Dietsche Warande & Belfort over de roman en de romanbeschouwing maakte, klinken weer veel van die geluiden. Zo schrijft A.F.Th. van der Heijden een brief aan Beatrix waarin hij de ‘kwetsbare kunstvorm’ die de roman is in haar bescherming aanbeveelt. Ook is er veel aandacht voor de Franse essayist Todorov en diens spraakmakende essay De literatuur in gevaar.

Er is een crisis, stellen gastredacteuren Annie van den Oever en Ernst Bruinsma in hun inleiding terecht vast. Een crisis die onder meer te maken heeft met afkalvend literatuuronderwijs en met bezuinigingen op de boekenredacties. Maar zij noemen nog een reden voor de verschraling van de romanbeschouwing: de literatuurwetenschap heeft zich de afgelopen decennia veel te weinig met het gewone lezen en interpreteren beziggehouden. Bovendien ‘telt’ een romankritiek niet als wetenschappelijk onderzoek. Geen wonder, kortom, dat er geen grondige, uitvoerige romananalyses meer worden geschreven – dat was van oudsher de taak van de academicus, die immers meer tijd en ruimte had dan de recensent.

Maar nu is de tekst gelukkig herontdekt en er mag weer gewoon geïnterpreteerd worden, zij het onder geleerd klinkende namen als ‘New philology’ of ‘ethical criticism’. Vooral die ethiek doet het goed aan de universiteit en ook in dit nummer. Het maatschappelijk nut van romans komt in veel essays aan de orde: het gaat om literatuur waarmee we onze moraal kunnen toetsen en onze visie op de samenleving scherpen, vandaar waarschijnlijk dat de namen van J.M. Coetzee, Jonathan Safran Foer of Günter Grass in vrijwel elk stuk terugkeren. Op welke manier hun werk ethisch is, legt Annie van den Oever uit in een essay over Coetzee. Beelden worden in zijn romans op een ‘averechtse manier’ ingezet – het gaat nadrukkelijk niet om het gladstrijken en archiveren van het heden en verleden, maar juist om ‘weerstand’ bieden aan een al te makkelijke interpretatie daarvan.

Romanschrijvers zelf, die ook uitvoerig aan het woord komen, hanteren een breder beeld van het geëngageerde schrijven. Zoals Hella Haasse in een prachtig fragment van Persoonsbewijs stelt: ‘Engagement wil zeggen dat men er zelf met huid en haar, hart en ziel, bij betrokken is, dat men zichzelf als instrument niet sparen mag. Het vinden van een vorm [...] dat is het engagement van de schrijver’.

Hoewel Haasse dit al schreef in 1967, is het een actuele aansporing om ‘ethiek’ in de literatuurbeschouwing zo ruim mogelijk in te vullen. Want als we voortaan louter aandacht besteden aan romans die gaan over Zuid-Afrika of over 11 september, ruilen we de bestaande crisis in voor een nieuwe.