De retorica van lof en blaam

De Griekse biograaf Plutarchus is het prototype van de gezellige classicus. Zijn beroemde ‘levens’ zijn opnieuw vertaald. Maar is hij ook een auteur voor deze tijd?

Ploutarchus: Beroemde Grieken. De levens van Lykourgos, Solon, Themistokles, Perikles, Alkibiades, Agesilaos, Dion, Fokion, Demosthenes, Alexander, Pyrrhos, Filopoimen. (Bioi parallelloi). Vertaald en toegelicht door H.W.A. van Rooijen-Dijkman. Athenaeum-Polak en Van Gennep, 405 blz., €45,–

In Mary Shelley’s roman Frankenstein uit 1818 treft het monster, dat bezig is zich te oriënteren op het mensdom, een pakketje boeken aan. Na inspectie verslindt hij (metaforisch) Goethes Werther, Miltons Paradise Lost, en de Levens van Plutarchus. Goethe leert hem over emoties, Milton over God, en Plutarchus over verheven gedrag in het openbare leven. Het monster doet van deze lectuur opvallend eloquent verslag aan zijn schepper. Bij Plutarchus, zo meldt hij, ‘I felt the greatest ardour for virtue rise within me, and abhorrence for vice.’ Het heeft dan wel niet veel geholpen, maar aan Plutarchus, die de stichtelijke en educatieve doeleinden van zijn fameuze Levens niet onder stoelen of banken steekt, heeft het niet gelegen.

De prominentie van Plutarchus in Shelley’s educatieve canon zal menigeen verbazen, en was misschien ook wel een tikje gemeen bedoeld door de auteur. Maar hoe dan ook bewijst de passage hoe centraal deze auteur aan het begin van de 19de eeuw nog stond in het curriculum. Plutarchus, die werkte rond 100 na Christus in het Romeinse keizerrijk, is dé illustratie van het feit dat ook de klassieke canon niet constant is. Hoewel haast niemand hem nu nog leest, was de filosoof en veelweter uit Chaeronea (bij Thebe in Griekenland) vanaf de Renaissance tot in de 19de eeuw een kernauteur: niet alleen als een van de belangrijkste bronnen van informatie over de Oudheid maar ook van wijsheid. Erasmus, Montaigne, Shakespeare, Racine en Voltaire verslonden net als het monster in het bijzonder de parallelle levens uit het lijvige oeuvre van Plutarchus, dat verder vele dikke delen essays beslaat. Deze serie biografieën van beroemde Grieken en Romeinen werd door Plutarchus gepresenteerd in koppels van één Griek en één Romein, vandaar ‘parallelle’ levens. Hieruit zijn nu de belangrijkste Griekse levens vertaald. Een keuze uit de Romeinse volgt binnenkort. Deze ontkoppeling doorbreekt dus de oorspronkelijke structuur.

Gaat ook een nieuwe generatie lezers de Levens verslinden, of zal het de tanden er op stuk bijten? Een moderne professor uit Cambridge, Simon Goldhill, antwoordde onlangs resoluut op deze vraag: ‘a modern reader must be bored by Plutarch’. Dat gaat ver, maar problemen levert de lectuur wel degelijk. Die hebben te maken met veranderde denkbeelden over zowel psychologie als biografie, die exact gelijke tred hebben gehouden met de afnemende belangstelling voor Plutarchus. Een leven blijkt bij Plutarchus in principe een opsomming van anekdotes ter adstructie van een vooraf ingenomen oordeel over de morele waarde van het onderwerp.

Wufte weelde

Die anekdotes zijn vaak hoogst vermakelijk (we leren bijvoorbeeld dat jongens in Sparta die het antwoord schuldig bleven op de vraag wie een goed burger was voor straf in de duim werden gebeten). Ze zullen bij oudere gymnasiasten ook tot een feest van herkenning leiden, want vrijwel al hun proefvertalingen werden uit deze anekdotische goudmijn gedolven. Maar amusementswaarde is voor Plutarchus slechts retorische strategie: we moeten de levens, vindt de auteur, vóór alles lezen om onze geest te richten ‘op wat bij uitstek goed voor ons is: deugdzame daden, die bij degenen die zich erin verdiepen een ijverzucht en gretigheid teweeg brengen die tot navolging leiden.’

Net als de antieke historiografie, waar de biografie een subgenre van is, zijn Plutarchus’ biografieën dus ‘exemplarisch’, ze stellen voorbeelden om na te volgen of te vermijden. Het Griekse bios betekent voor hem eerder ‘manier van leven’ dan ‘leven’ tout court. Zulke opvattingen hebben tot gevolg dat Plutarchus zich weinig interesseert voor dingen die wij nu juist zo belangrijk vinden: de invloed van de tijd op de protagonist, en de invloed van de protagonist op de tijd. Plutarchus’ beroemde mannen ‘zijn’ gewoon, statisch en voor altijd. Maar juist zo’n wezenlijk ander perspectief maakt de lectuur van de Levens ook nu zo fascinerend: niet omdat ze, zoals tot in de 19de eeuw, een bevestiging zijn van de morele code, maar doordat ze laten zien hoe enorm onze intellectuele wereld sinds die tijd is veranderd.

Een tweede punt van fundamenteel verschil tussen onze opvattingen en die van de Oudheid (die tot in de Renaissance en daarna bleven gelden trouwens), is de retorische aard van dit soort teksten. Plutarchus’ proza is hoogst gekunsteld, een karakteristiek die in deze vertaling omwille van het moderne publiek wel eens onder het tapijt wordt geveegd (overigens vertaalt H.W.A. van Rooijen-Dijkman – die voor de Griekse naam Ploutarchos koos – vaardig en vloeiend). De Levens horen immers thuis in de sfeer van de retorenscholen, waarin oefeningen centraal stonden in het spreken pro en contra een gegeven onderwerp, de retorica van lof en blaam. Plutarchus groepeert in dit kader nu zijn anekdotes rond een thema, bijvoorbeeld bij de beruchte politicus, veldheer en mooiste man van Athene, Alkibiades, rond diens kameleontische vermogen tot aanpassing – hij vluchtte van Athene naar aartsvijand Sparta en van Sparta naar de aartsvijand van alle Grieken, de Perzen.

In dat leven van Alkibiades legt Plutarchus zijn morele veroordeling van deze eigenschap er niet al te dik bovenop. Toch is ze in zijn ogen een vorm van kolakeia, vleierij, en wel van het publiek dat Alkibiades voor zich had: hij die in Athene bij Socrates in bed lag, in Sparta sober zwarte soep at, in Thracië zoop als een Maleier, en aan het Perzische hof dampte van wufte weelde. Alleen trekt de auteur die conclusie niet in zijn Leven van Alkibiades zelf, maar aan het slot van de Romeinse pendant van Alkibiades, het leven van de norse Romeinse veldheer Coriolanus. Dáár wordt de vergelijking tussen de twee uitgewerkt in een synkrisis, een ‘eindafrekening’, en het morele oordeel uitgespeld. De Nederlandse lezer moet nu maar afwachten of Coriolanus in het deel over de Romeinen staat.

Buiten de boot

De morele lessen vallen in deze editie dus buiten de boot. Ze zijn wellicht ook minder geschikt voor de moderne smaak. Maar die passages zijn wel hoogst karakteristiek voor de auteur. Ze laten zien dat deze typologisch denkt, en niet historisch. Ze laten tevens zien dat hij de Griekse en de Romeinse wereld als een continuüm zag, hoewel de lezer tussen de regels een fascinerende glimp van Grieks ‘nationalisme’ kan opvangen. Het doorbreken van Plutarchus’ ahistorische parallellie, kortom, suggereert een meer ‘historische’ Plutarchus – een bron van betrouwbare gegevens. Maar Plutarchus zelf keek al door een dichte mist van tijd naar zijn protagonisten, die al eeuwen dood waren. Minder dan voor zijn protagonisten is Plutarchus dan ook, zoals zo vaak bij historici, vooral een bron voor zijn eigen tijd en kaste.

De Plutarchus die de vertaalster, zo blijkt uit haar veel te summiere inleiding, vooral ziet is een ‘onderhoudend verteller, vol mildheid jegens menselijke zwakheid en bewondering voor werkelijke deugd.’ Daar ben ik het niet mee eens. Men neme bijvoorbeeld Plutarchus’ kloeke vaststelling dat ‘wie eigenhandig laagstaand werk verricht, geeft door dat investeren van moeite in nutteloze dingen blijk van onverschilligheid voor hogere zaken’, uit het Leven van Pericles. Je zou haast gaan denken als je dit leest: lang leve het christendom, met zijn emancipatie van vissers en timmerlui! Nee, Plutarchus is een pedante kwast, die soms alarmerend ordeloos doorreutelt in een waterval van anekdotiek. Hij is het prototype van de gezellige classicus, die veel weet maar weinig snapt. Maar hij biedt, misschien juist daardoor, een fascinerend zicht niet alleen op zijn eigen tijd, maar ook op de mentaliteitsgeschiedenis van de vele lezers die hem hebben bewonderd.