De canonieke werken van ‘een groot zwijger’

Vandaag verscheen een nieuwe biografie over Vondel.

Hoeveel nieuws is er nog over deze dichter, die ooit belaagd werd door ‘hatemail’?

Opvoering Gijsbrecht van Aemstel op 1 januari 1949, door Loudi Nijhoff en Albert van Dalsum.

Van de beroemdste Nederlandse tragedieschrijver, lof- en hekeldichter uit de 17de eeuw, Joost van den Vondel, is op dit moment één titel: een dertien jaar oude editie van het treurspel Gijsbrecht van Aemstel verkrijgbaar. Zijn toneelstukken werden eeuwenlang, telkens gespeeld. Zijn gedichtenbundels kregen hoge oplages en vele herdrukken. Ze zijn verheven tot de literaire canon en tot op het bot geanalyseerd door generaties neerlandici. Het werk is bijgezet, maar bijna niemand leest het nog. Zijn taal is niet meer de onze, zijn onderwerpen staan ver van ons af. Het enthousiasme en de liefde voor zijn werk, waarmee Piet Calis zijn biografie heeft geschreven, zouden Vondel hebben opgebeurd.

Calis presenteert zijn held als een maatschappelijk betrokken auteur en begint het boek dan ook met de kwestie-Palamedes. In het gelijknamige treurspel uit 1625 wordt de Griekse held Palamedes tijdens de Trojaanse Oorlog ten onrechte beschuldigd van verraad en vervolgens terechtgesteld. Dit was een duidelijke verwijzing naar het politieke proces tegen en de executie van Johan van Oldenbarnevelt in 1619. De autoriteiten verboden de publicatie en Vondel werd veroordeeld tot een boete van 300 gulden. Dat verhinderde niet dat het stuk tijdens Vondels leven nog achttien maal werd herdrukt.

Ook later zou Vondel zijn politieke oordeel in zijn werk verpakken, opkomend voor gewetensvrijheid en waarschuwend tegen de macht van de stadhouders. Aanvaringen met de overheid bleven niet uit. Toen en ook later is Vondel een behoorlijke portie hatemail in de vorm van schotschriften ten deel gevallen. Hij werd uitgescholden voor ‘paapsche hond’ en zelfs met de dood bedreigd.

Vondels standvastige geëngageerdheid en zijn geloof lopen als rode draden door Calis’ boek. Vader Vondel was een hoedenmaker die zich uiteindelijk in 1597 met zijn gezin in Amsterdam vestigde. Het gezin behoorde tot de Waterlanders, een gematigde richting onder de doopsgezinden. Vondel ging omstreeks 1641 over tot het katholieke geloof. Wat daar precies achter zat is moeilijk te reconstrueren. Calis wijst op de aantrekkingskracht van de tijdloze zekerheid die Rome hem in een labiele periode bracht. Hij ziet ook de rijke vormentaal van de liturgie waarvoor Vondel uiterst gevoelig was. Dat katholicisme heeft in het gereformeerde Nederland zijn roem overigens niet in de weg gestaan.

Vondels doorbraak vond plaats op 3 januari 1638 met de eerste opvoering van de Gijsbrecht in de nieuwe schouwburg van Amsterdam. Dit stuk was ook niet onomstreden. De kerkenraad bespeurde er katholieke trekken in en probeerde vergeefs de opvoering te verhinderen. Het stuk werd een daverend succes en bleef dat. In 1644 verscheen een bloemlezing van zijn poëzie en zes jaar later nog een verzamelbundel van 612 pagina’s genaamd Poëzy of Verscheide gedichte. Hij was de dichtervorst, de man die als geen ander plastisch en beeldend de Nederlandse taal wist te kneden in vaste versvormen.

Vondels leven daarentegen was weinig gelukkig. Calis zet de dichter neer als een stugge, teruggetrokken en onbuigzame man. Hij was, aldus Vondels eerste biograaf Gerard Brandt, ‘een groot zwijger’ die leed aan ‘melancholeusheid’. Of dat, zoals Calis doet, gelijkgesteld mag worden met depressie, is de vraag. Maar aanleiding tot getreur was er volop. In de familie kwamen veel vroege sterfgevallen voor. Hij had een moeilijke verhouding met zijn moeder en met zijn overgebleven zoon en dochter. Zoon Joost maakte van het leven niet veel, stortte de familie in de schulden en werd op een schip naar Oost-Indië gezet. Hij stierf tijdens de reis.

Humor is niet Vondels sterkste kant geweest. Toen de destijds beroemde en nog door Rembrandt getekende toneelspeler Willem Bartelsz Ruyter repeteerde voor de rol van bisschop Gozewijn, zette hij geen mijter maar een pispot op zijn hoofd. De dichtervorst kon dat niet waarderen.

Calis’ boek is opgehangen aan het werk van Vondel, zijn toneelstukken, zijn poëzie en zijn vertalingen. Hij voert de lezer op een leerzame wijze mee langs Vondels literaire ontwikkeling en beschrijft zijn zoektocht naar nieuwe vormen en een eigen, plastische taal. Het boek is als literatuurgeschiedenis geslaagder dan als biografie. Maar zelfs met het primaat van de literatuur boven het leven en de maatschappij had ik meer verwacht. Bijvoorbeeld over het literaire milieu, over Vondels positie in de Republiek der letteren, over kwesties als het mecenaat en uitgeverspraktijken.

Het boek is toegankelijk geschreven, maar Calis lijdt aan een te grote citeerlust. In zijn enthousiasme kan hij het niet laten om de haverklap Vondel aan te halen. Behalve door de vele citaten wordt het ritme van het boek ook verstoord doordat Calis voortdurend specialisten aanhaalt. Alsof hij zijn eigen oordeel niet vertrouwt. Voor dit boek heeft Calis geen nieuw archiefonderzoek gedaan en ook heeft hij niet altijd gebruik gemaakt van de meest actuele literatuur. Hij heeft zich sterk verlaten op de biografie van Gerard Brandt, die drie jaar na de dood van ‘den beroemden prins der Nederlandsche dichteren’, zoals het in diens titel heet, verscheen. Calis gebruikt Vondels werk niet alleen als illustratie, wat gezien de beeldende kracht soms heel goed werkt, maar ook als bron. En dat is voor een biograaf even verleidelijk als gevaarlijk.

Lees het werk van Vondel via: cf.hum.uva.nl/dsp/ljc/vondel

Piet Calis: Vondel. Het verhaal van zijn leven (1587-1679). Meulenhoff, 464 blz, € 35,–