Adiós luilekkerland

Wat houdt de mensheid in leven en hoe komt het tot ons? Steeds meer non-fictie houdt zich met de productieketen bezig. Na de kabeljauw en de maiskolf nu de banaan en de olie in boekvorm.

Peter Chapman: Bananas. How the United Fruit Company Shaped the World. Canongate, 222 blz. € 19,–

Dan Koeppel: Banana. The Fate of the Fruit that Changed the World. Hudson Street Press, 281 blz €19,–

Fred Pearce: Confessions of an Eco-Sinner. Travels to Find Where My Stuff Comes from. Eden project books, 390 blz. €20,–

Sonia Shah: Ongeraffineerd. Het verhaal van olie (Crude, The Story of Oil). Vertaald door Nico Groen. Artemis, 288 blz. €19,95

Vergeet de appel. Eva, zo legt de Amerikaanse journalist Dan Koeppel uit in zijn boek Banana, The Fate of the Fruit that Changed the World, werd hoogstwaarschijnlijk verleid door de banaan. Volgens Koeppels Britse collega Peter Chapman, die een boek schreef over de United Fruit Company – de firma die de banaan groot maakte – was het geen vijgenblad waarmee Adam en Eva hun schaamte vervolgens bedekten, maar het blad van een bananenboom.

De twee baseren zich op de Koran, die de bananenboom in de paradijstuin situeert en op vroege wetenschappers, onder wie Linnaeus. Appels gedijen niet in het Midden-Oosten – voor een Tuin van Eden is een bananenboom logischer. Het vijgenblad komt voort uit een vertaalfout; in het Hebreeuws heten bananen ‘vijgen van Eva’. Kijk naar het diep gevorkte vijgenblad, en dan naar dat bananenblad, formaat minirok, en wat lijkt het meest waarschijnlijk?

De banaan als oorzaak van de zondeval. Het is even omschakelen, maar wie na twee boeken en pakweg vijfhonderd pagina’s over ‘het lot van het fruit dat de wereld veranderde’ zelf bijna geel ziet, beseft waarom de auteurs deze versie van de zondeval niet konden weerstaan. Toen de mens eenmaal doorkreeg hoe makkelijk dit kromme staafje natuur te manipuleren was, volgde – kort door de bocht – anderhalve eeuw van exploitatie, bloedvergieten en hersenspoeling teneinde de goudgele tropische verassing te veranderen in een ‘alomtegenwoordig muesli-ingediënt’. Amerikanen eten nu meer bananen dan appels en sinaasappels samen. Maar: tonnen chemicaliën ten spijt dreigen in de 21ste eeuw – gelijk de Plagen van Egypte – hardnekkige schimmelziektes de dominante bananenvariëteit uit te roeien.

Menselijke overmoed – en de zonde die erop volgde – is ook het leidende motief in Ongeraffineerd, het verhaal van olie van de Amerikaanse journaliste Sonia Shah. Zij begint haar boek met een citaat van de Poolse journalist Ryszard Kapuscinski: ‘Het idee van olie is de ideale verwerkelijking van de eeuwige droom van de mens om rijk te worden door een gelukkig toeval. In dat opzicht is olie een sprookje, en heeft hij als elk sprookje iets leugenachtigs’. In het vervolg kiest Sonia Shah voor het stramien van een klassieke tragedie: hoe de mens, verblind door het ‘zwarte goud’ en ‘dollartekens in de ogen’ dacht dat hij een goudmijn had aangeboord, maar in werkelijkheid de basis legde voor zijn eigen vernietiging onder ‘een bruine deken van koolstof’.

De ontknoping van de tragedie, peak-oil, het moment waarna de olievoorraad definitief zal afnemen, ligt nog in de toekomst (over tien à twintig jaar, schatten experts), maar het perspectief van toenemende schaarste domineert niettemin Shahs boek. Ze wijst op de steeds grotere inspanningen die nodig zijn om verhoudingsgewijs steeds minder olie te winnen; in Mesopotamië voor onze jaartelling en in Pennsylvania in de 19de eeuw schepten boeren olie zo van het land of rivieren. Het hedendaagse boren in diepzeeën en ontoegankelijke gebieden, en het winnen van olie uit teerzand, kost soms tweederde van de energie die ermee wordt gewonnen. Al in 1999 zei een topman van investeringsbank Goldman Sachs dat de olie-industrie op sterven lag. Sinds 1976 is in Amerika geen nieuwe raffinaderij meer gebouwd – volgens experts die Shah citeert een veelzeggender feit dan de miljarden die aan proefboringen besteed worden.

Voorbij is de tijd dat de productieketen – van grond tot mond – het type kennis was dat je na de basisschool meteen weer vergat. Integendeel, sinds ethiek na de opkomst van het antiglobalisme de laatste jaren weer langzaam het consumptiepatroon van de westerse voorhoede binnensloop, was het al zaak er iets van te weten. Recent is de aanzienlijke hoeveelheid historische non-fictie die verhaalt van de oorlo-

Vervolg op pagina 2

Waarom de banaan ten onder gaat en de olie opraakt

Vervolg van pagina 1

gen en veroveringstochten omwille van thee, koffie, cacao en specerijen aangevuld met boeken over modernere productieketens. Een bekend voorbeeld is Mark Kurlansky’s Cod, A Biography of the Fish that Changed the World uit 1997 .

De Britse milieujournalist Fred Pearce probeert in Confessions of an Eco-Sinner (alweer zondebesef) vele vliegen in één klap te slaan door de productieketen van ál zijn spullen na te reizen: van zijn kruiderij en kaas tot de bananen op zijn fruitschaal, het toetsenbord van zijn computer en de elektriciteit in zijn lampen. Alle bekende consumptiedilemma’s over milieubelasting, arbeidsomstandigheden en eerlijke handel passeren de revue. Dit boek wordt zo een soort veredelde groene consumentengids, de ecozondaar blijft na zijn biecht achter in machteloosheid.

De gedetailleerde geschiedenissen van olie en banaan zijn interessanter. In een jaar dat de prijzen van basisvoedsel met gemiddeld 40 procent stijgen en de olieprijs door het record van 120 dollar per vat breekt, laten ze de afbrokkelende vanzelfsprekendheid van overvloed zien. Opeens blijkt de voorraadkast een bodem te hebben. „We zijn van een tijd van overvloed in een tijd van schaarste beland”, zei VN-baas Ban Ki-moon deze week. Uit Banana, Bananas en Ongeraffineerd valt op te maken hoe en ten koste waarvan dat tijdperk van overvloed tot stand kwam - een dramatische toon (Koeppel), neiging tot zweverigheid (Shah) en clichématig anti-corporatisme (Shah, Chapman) moet de lezer even voor lief nemen.

Neem de ‘koude keten’, de nu volledig vanzelfsprekende, op aardolie voor koeling en vervoer gebaseerde transport- en distributiemodus die het eten van tropisch fruit in gematigde klimaten mogelijk maakt. Ook die moest worden uitgevonden. Bananenpionier Andrew Preston bedacht het gekoelde schip (rond 1885), zijn Great White Fleet was beroemd. Het inzetten van radio (1904) kon zaken nog verder optimaliseren; tot dan toe werd razendsnel met plukken begonnen als er een schip aan de horizon verscheen.

De geschiedenissen van olie en bananen kruisen elkaar bij de uitvinding van kunstmest en bestrijdingsmiddelen, verkregen door met behulp van aardolie stikstof om te zetten in ammoniak. Tussen 1947 en 1979 verdubbelde daardoor de opbrengst van de landbouw, en nam de wereldbevolking razendsnel toe. Zonder kunstmest, citeert Shah de demograaf Vaclav Smil, „zou twee vijfde van de huidige 6 miljard zielen niet in leven zijn.”

De overschakeling op kunstmest betekende het baseren van de voedselvoorziening op energievoorziening. Dat maakte een einde aan de inefficiency van kleinschalige productie, maar andere inefficiency kwam ervoor in de plaats: in elke kilocalorie gewas zijn tien kilocalorieën energie gestopt.

Het is deze verwevenheid die momenteel in zijn tegendeel verkeert, en de productieketen tot voorpaginanieuws maakt. Ook zonder vraag naar biobrandstoffen betekent dure aardolie hoge voedselprijzen, wegens duurdere kunstmest, bestrijdingsmiddelen en transport.

Sonia Shah heeft weinig oog voor het feit dat met olie, zoals olie-econoom Daniël Yergin schreef, ‘zowel het beste als het slechtste in de mens naar boven is gekomen’. Ze heeft nauwelijks aandacht voor de enorme toename in voedselproductie en -zekerheid dankzij kunstmest, voor het sparen van natuurlijke grondstoffen dankzij plastics, de ontplooiingsmogelijkheden en individualisering die het gevolg waren van toegenomen mobiliteit, de economische groei door de opkomst van mondiale handelsstelsels en vervoer.

Olie is de grondstof die alle aspecten van het moderne leven doordrenkt; het is misschien onmogelijk in een beknopt boek alle aspecten van de relatie mens-olie te vangen. Maar Shah verstaat de kunst om complexe geologische informatie en cijfermateriaal op een beeldende manier in haar betoog te vatten. Saoedi-Arabië heeft een lagere levensstandaard dan Thailand, zeventig procent van het totale gewicht van soldaten, voertuigen en wapens van het Amerikaanse leger bestaat uit brandstof, het verbruik ligt op 2 miljoen vaten per week. Behalve op schaarste legt ze de nadruk op milieuverontreiniging en sociale ontwrichting (politiek in mindere mate): linke omstandigheden op boortorens, Shell in Nigeria, de rampen met enkelwandige tankers (‘drijvende ballonnen’).

De banaan is van het moderne leven maar een piepklein en dus eenvoudiger te beschrijven onderdeel. Als om een excuus te hebben voor hun uitvoerigheid doen Chapman en Koeppel grote moeite het fruit een meerwaarde toe te kennen – voor de één was de banaan de kiem van het onbeteugelde kapitalisme dat vrijemarkt- adepten bepleiten, voor de ander staat hij model voor ecologisch riskante monoculturen. De banaan blijkt in elk geval een pionier in de marketinggeschiedenis: United Fruit maakte oorlogsplannen om appel-etend Amerika aan de banaan te brengen, zette grootschalige campagnes (bananenmeisje Señorita Chiquita) in en deed aan imagobescherming met een film die moest duidelijk maken dat het bedrijf in Latijns-Amerika veel scholen bouwde en Amerikaanse waarden verdedigde. Titel: Why the Kremlin hates bananas.

Buiten de grenzen van de VS hadden bananenoorlogen een ander karakter. In de jaren dertig en vijftig kon United Fruit (en tegenhanger Standard Fruit, nu respectievelijk Chiquita en Dole) rekenen op de steun van het Amerikaanse leger en regering bij het najagen van belangen in Latijns-Amerika. Het zorgde voor staatsgrepen in Honduras en Guatemala en interventies in Panama, Colombia en Honduras – en het ontstaan van de term bananenrepubliek. Pas bij de invasie van de Cubaanse Varkensbaai in 1961 (met onder meer schepen van United Fruit), ging het mis.

Chapmans beschrijving van de voorbereidingen van de staatsgreep in Guatemala, nadat de democratisch gekozen president Jacobo Arbenz daar braakliggend land van United Fruit had genationaliseerd, echoot nadrukkelijk de invasie van Irak in 2003, zij het in een wat naïeve versie, met schaamlap communisme in plaats van terrorisme, en een andere grondstof. In opdracht van United Fruit schrijven spindoctors rapporten over de gevaarlijke communistische tendensen in Guatemala, juist als de populariteit van president Eisenhower inzakt. De kranten slikken alles voor zoete koek. United Fruit betaalt de onkosten van de embedded journalisten die de ‘bevrijding’ verslaan. Het leger laat Che Guevara ontglippen.

Dan Koeppel is meer in botanie geïnteresseerd dan in geschiedenis. De banaan is een vrucht zonder zaden, nieuwe planten ontstaan door oude te scheuren. (‘Heb medelijden met de banaan,’ schrijft Fred Pearce, ‘een fallisch symbool dat in geen duizenden jaren seks heeft gehad.’) In de loop der tijd werd de bananenstamboom door commerciële teelt zo goed als gereduceerd tot de Gros Michel, een banaan die in perfecte conditie bleef bij een tocht overzee en een aantrekkelijk uiterlijk had. Vanaf de jaren twintig daalt de Panama-ziekte op Gros Michel neer, om hem in enkele decennia weg te vagen. In de jaren zestig begint United Fruit alle plantages te vervangen door een nieuwe soort, de Cavendish. Alle bananenvarianten in onze winkels zijn genetisch identieke Cavendishes. Ze worden bedreigd door verschillende nieuwe schimmelziektes, met dreigende namen als Black Sigatoga en Xanthomonas. Vooralsnog is er geen vervanger. In een race tegen de klok proberen wetenschappers een genetisch gemanipuleerde, schimmelresistente banaan te maken. In Amerika en Europa kunnen we best zonder banaan, maar in Afrika is het een basisvoedsel.

Voor Dan Koeppel en Fred Pearce (die de banaan ook behandelt) staat de grootschalige monocultuur van de banaan model voor de staat van veel moderne gewassen. Dat houdt flinke risico’s in. Koeppel: ‘Hoewel we elk jaar meer bananen eten, passen al die bananen genetisch gesproken in een heel klein, heel fragiel mandje.’

Bij alle doemscenario’s kan geen auteur het laten om aan het slot een U-bocht naar hoop te maken, die stoelt op duurzame energiebronnen, een afvlakkende bevolkingsgroei en de genetisch gemanipuleerde banaan. Als het ware terugkijkend vanuit de toekomst noemt Shah het olietijdperk ‘een anomalie, gebaseerd op de onwaarschijnlijke ontdekking van een relatief zeldzame, eindige verzameling energie [...] waarvan de vorming even onwaarschijnlijk was als het winnen van de loterij’. Ecozondaar Fred Pearce noemt de 20ste eeuw ‘de gouden eeuw van menselijke vindingrijkheid, maar ook van menselijke gekte. The party to end them all.’

Vanuit dat perspectief laten de verhalen van olie en banaan zich lezen als episodes uit een kortstondig luilekkerlandtijdperk waarvan ons deel van de wereld ongebreideld kon genieten. Er is vooralsnog geen sprake van dat we aanstonds uit dit paradijs zullen worden verdreven. Maar deze boeken onderstrepen hoezeer het alle trekken van een sprookje heeft.