Wendbaar socialist, gehuld in sigarenrook

Een onverwoestbare sociaal-democraat, in hemdsmouwen. Soms wat „traag en lui”. Gisteren overleed Thijs Wöltgens.

Thijs Wöltgens in 1990 Foto NRC Handelsblad, Leo van Velzen vez

Thijs Wöltgens, gisteren op 64-jarige leeftijd aan een hartinfarct overleden, heeft bereikt wat hij wilde. Toen hij in november 1989 fractieleider van de PvdA werd, koos de parlementaire pers hem meteen maar tot politicus van het jaar. Een verademing was hij: een aimabele sociaal-democraat met humor en relativeringsvermogen. Was hij daarmee ook een potentiële partijleider? Zelf dacht Wöltgens van niet: fractievoorzitter was meer dan genoeg werk, vertrouwde hij een vriend toe. Liever was hij burgemeester van een middelgrote provinciestad, met een ijverige, ambitieuze wethouder voor het bestuurswerk en een chauffeur die zijn doos sigaren droeg. Het burgemeesterschap van zijn geboortestad Kerkrade (1994-2000) was in die optiek een passende bekroning van zijn politieke loopbaan.

Nationale bekendheid dankt Wöltgens aan zijn vier jaar als fractieleider van de PvdA: als boksbal tussen bewindslieden, partijvoorzitter en fractie, zo vatte hij het achteraf samen. Het was een moeizame overgangstijd voor de PvdA: na twaalf jaar in de oppositie zat de partij weer in een kabinet en werd prompt medeverantwoordelijk voor een harde sanering van de verzorgingsstaat. Zijn ster daalde na 1990 snel: zijn loyaliteit werd voor serviliteit versleten, zijn onverstoorbaarheid voor luiheid. Zijn onverwoestbare optimisme begon potsierlijk aan te doen. In 1992 luidde het motto: haalt Thijs Wöltgens 1994?

Hij haalde het, met moeite. Harde ingrepen in de WAO en Ziektewet van juli 1991 ervoer Wöltgens als zijn zwartste tijd: de achterban liep weg, fractieleden rebelleerden, er was een verhulde couppoging tegen Wim Kok, partijvoorzitter Felix Rottenberg noemde Wöltgens „traag” en „lui” en wilde hem vervangen door staatssecretaris Wallage. En dan was er nog de koele verhouding met CDA-fractieleider Elco Brinkman. Maar alleen toen Lubbers hem in 1992 tergde met de stelling dat de PvdA wel voor denivellering te porren was, kwam Wöltgens naar eigen zeggen in verleiding het kabinet ten val te brengen.

Wöltgens was „beertje Colargol” dat heel soms gromde – maar dan werd er wel geluisterd. Deels dankzij zijn loyaliteit kon Lubbers-III de rit uitzitten en Kok in 1994, een verkiezingsnederlaag ten spijt, als premier van Paars de annalen ingaan. De moegestreden Wöltgens verliet met opgeheven hoofd het Binnenhof.

Thijs Wöltgens was een man met grote gaven: een macro-econoom die in de jaren tachtig alternatieve begrotingen foutloos doorrekende op de achterkant van een sigarendoosje, een scherp analyticus en essayist, een humoristisch spreker, ondanks zijn neiging tot mompelen. Als hij zin in werken had, want Wöltgens was ook een chaoot met geringe geldingsdrang en een bijna karikaturale Limburger: in hemdsmouwen achterover leunend, met een biertje en een schaal bitterballen binnen handbereik, zijn omgeving hullend in sigarenrook.

Zowel in zijn politieke optreden als in zijn boeken en essays was Thijs Wöltgens vooral wendbaar. Tot 1966 was hij lid van de KVP, die hij als zoveel progressieve katholieken de rug toekeerde na de nacht van Schmelzer, toen de KVP het centrum-linkse kabinet-Cals een dolk in de rug stak. Hij debuteerde in 1970 in de gemeenteraad van Kerkrade, en kwam in 1977 in de Tweede Kamer. Daar bleek zich onder zijn jovialiteit en Bourgondische charme weliswaar geen strateeg, maar wel een sluw tacticus te verschuilen: anders was zijn ster niet zo snel gerezen in de toenmalige PvdA-fractie, rijk aan politieke straatvechters.

Op consistentie viel hij minder te betrappen. Zo gold hij begin jaren tachtig als een voorman van de ‘nieuwe realisten’ in de partij: hij bepleitte loonmatiging, bezuinigingen op de staatsuitgaven en een harde aanpak van beroepswerkelozen. Eind jaren tachtig was er een andere Thijs Wöltgens in beeld. In een tandem met de latere staatssecretaris Elske ter Veld – men sprak toen van ‘Thijske’ – ontpopte hij zich als geharnast kampioen van de sociale voorzieningen tegen ‘realo’s’. Om in 1989, toen de PvdA een coalitie smeedde met het CDA, zich weer te ontpoppen als woordvoerder van wat toen spottend ‘Nieuw Flinks’ heette: werklozen gedwongen laten solliciteren, minder ambtenaren, meer normen en waarden. Wil de echte Thijs Wöltgens opstaan, klonk het soms. Voor hem was het een kwestie van de juiste balans: consistentie verandert snel in starheid.

De afgelopen tijd was Wöltgens voorzitter van de raad van bestuur van de Open Universiteit van Kerkrade en voorzitter van de Vereniging Kamers van Koophandel. Soms schreef hij prikkelende essays, zoals 12 april in NRC Handelsblad. Hij beschreef dat hét probleem voor de PvdA de krimp van de middenklasse is. Zorgen over islam en integratie zijn daarvan slechts afgeleiden. De middenklasse wordt volgens dit artikel steeds kleiner: er vallen meer mensen terug naar de laagste groep dan dat er doordringen tot de middenklasse. „Dat midden is de ruggengraat van elke democratische samenleving. [...] Deze klasse moet zich veilig kunnen voelen, qua arbeidsperspectief, inkomen én sociale zekerheid.”

Wöltgens was een politiek denker die graag in retraite ging in zijn bibliotheek. Maar door zijn pretentieloze optreden kreeg hij nooit echt statuur.

Het opinieartikel van Wöltgens van 12 april is na te lezen op nrc.nl/binnenland