Vrouwelijk onbehagen is terug

Dankzij de anticonceptiepil werd de vrouw „eindelijk losgekoppeld van de konijnen”. En werk werd gedeeld. Maar niet alle doelen van ’68 zijn bereikt, constateert Hedy d’Ancona.

Waar blijft de vrouwenemancipatie in de herdenkingsartikelen over mei 1968, vraagt oud-politica Hedy d’Ancona zich af. Veertig jaar geleden werd formeel vastgelegd dat de vrouw binnen het huwelijk niet langer ondergeschikt is aan de man. Dat jaar werd ook het collectieve onbehagen bij de Nederlandse vrouw vastgesteld. In oktober ’68 richtte D’Ancona samen met Joke Kool-Smit de actiegroep Man Vrouw Maatschappij (MVM) op. Aanleiding was een essay van Smit in het literaire tijdschrift De Gids, ‘Het onbehagen bij de vrouw’.

Twee hoofddoelen had MVM, waar overigens ook mannen welkom waren. Als eerste het inlopen van achterstanden. „Dat is behoorlijk gelukt”, vindt D’Ancona. „Alleen in de topfuncties van de samenleving is dat nog niet doorgedrongen. En dát heeft weer alles te maken met het tweede doel.” Namelijk: het veranderen van de samenleving op zo’n manier dat mannen en vrouwen het betaalde en onbetaalde werk zouden delen.

Hedy d’Ancona, in 1967 werkzaam als sociaal geografe aan de Universiteit van Amsterdam, schreef wel eens voor de vrouwenpagina van Het Parool, en was gevraagd om mee te werken aan een nummer over Onbehagen van De Gids.

D’Ancona schoof het stuk van Smit naar voren dat ze net onder ogen had gekregen: „Ik hoef niets te schrijven, het is er al.”

In het artikel stelde Joke Kool-Smit dat mannen en vrouwen wel formeel gelijk waren, maar dat vrouwen in de praktijk nog steeds geacht werden zich bezig te houden met het huishouden en de zorg voor kinderen. Als Smit vaststelt hoe revolutionair de pil eigenlijk is en dat de ‘erotiek weer is losgekoppeld van de procreatie’, voegt ze toe: „Men zou eraan kunnen toevoegen dat de pil plus een abortusgarantie een nog radicaler omwenteling betekenen: eindelijk wordt de vrouw losgekoppeld van de konijnen”.

Ja, dat artikel ging best ver, zegt D’Ancona. ‘Het onbehagen bij de vrouw’ verscheen in november 1967 en leverde 150 brieven op van vrouwen die zich in het essay herkenden. „Dat was veel voor zo’n klein blad, en in een tijd zonder e-mail. We moeten een club oprichten, bedachten we.” Dat werd MVM.

Man Vrouw Maatschappij was duidelijk anders dan het meer anarchistische, ludieke Dolle Mina, stelt D’Ancona. „Dolle Mina bond roze linten om urinoirs omdat ze vonden dat vrouwen ook op straat moesten kunnen plassen. Wij waren meteen heel politiek gericht. Echte werkbijen, met de ene werkgroep na de andere.” D’Ancona hield spreekbeurten binnen en buiten de PvdA, de partij waarvan ze lid was geworden. „Het was een missie.”

Vervolg Mei '68: pagina 3

‘Dertigers van nu hebben het zwaarder dan dertigers van 1968’

De beide feministische actiegroepen kregen wel van meet af aan opvallend veel publiciteit en aandacht van politieke partijen. „Veel meer dan het feitelijk aantal actieve vrouwen rechtvaardigde”, zegt D’Ancona, die in 1980 staatssecretaris van Emancipatie werd. „We hadden nooit meer dan een paar duizend leden. De aandacht stond in geen verhouding, maar al snel werden onze eisen opgenomen in politieke programma’s.”

Het ideaal van kostwinnerschap zat diep verankerd, zegt Hedy d’Ancona. „Dat was het gevoel van verworvenheid dat leefde onder de socialisten, de vakbonden, en ook onder het christelijke deel van de natie: bij ons hoeven vrouwen niet te werken. Over dat ideaal van het kostwinnerschap moesten we heen zien te komen, daar hebben we veel strijd voor gevoerd.”

De balans opmakend zegt D’Ancona: „We zijn geslaagd. De achterstand van meisjes in het onderwijs is ingelopen. Het idee, gesteund door kinderpsychiaters en pedagogen, dat gehuwde moeders niet mogen werken, is achterhaald. In de politiek hebben we nu vrouwelijke fractievoorzitters.”

Dankzij de pil en de abortus kunnen vrouwen nu zelf bepalen hoeveel kinderen ze krijgen, en wanneer. „Achteraf kun je zeggen dat dat een beetje te ver is doorgeschoten. Vrouwen besluiten zo laat kinderen te krijgen dat het problematisch wordt om zwanger te raken. Na je dertigste is de kans om zwanger te worden zo ongeveer gehalveerd. Dat was lange tijd niet bekend, je dacht dat je er verstandig aan deed om het uit te stellen. Dat weet je nu weer. Het plannen van kinderen in je leven moet je niet lang uitstellen. Maar het punt uit het artikel van Smit blijft staan: vrouwen zijn losgekoppeld van de konijnen.”

Wat níét is gelukt, erkent zij, is dat de maatschappij door zowel mannen als vrouwen bestuurd zou worden, binnenshuis en buitenshuis. „Iedereen noemt nu het glazen plafond. Niks glazen plafond. Het gaat er om dat loopbanen worden gecreëerd in de periode in het leven dat er kinderen komen. Met een parttime baan schijn je geen carrière te kunnen maken en het zijn juist de vrouwen die parttime werken.”

Met een voorspellende blik zei de in 1981 overleden Smit hierover veertig jaar geleden in haar essay: ‘...materieel staan de dingen er niet zo goed voor. Er is namelijk alle reden om aan te nemen dat een verdere deelname van de gehuwde vrouw aan het arbeidsproces de halfslachtige positie van de vrouw in de maatschappij voorlopig nog zal versterken. Het part-time werk zal wel toenemen [...].’

D’Ancona: „De dertigers van nu hebben het veel zwaarder dan de dertigers van ’68. Het arbeidsethos is een stuk hoger; er wordt langer en harder gewerkt. Er wordt ook minder rekening gehouden met je als je jonge kinderen hebt. Voorheen werden er bij de partij geen politieke vergaderingen gehouden tussen 5 en 7 uur, dat was de tijd om met gezin te eten. Nu maak ik niet anders mee. Daarbij heerst er een zekere drang naar perfectie bij vrouwen. Je zou denken dat ze zeggen: het is al heel mooi dat ik twee schoteltjes tegelijk in de lucht kan houden. Maar dat is niet zo. Er is nu het verlangen om overal goed in te zijn. Je moet ook nog je lijn bewaren en goed kunnen koken.”

Daar komt bij dat er buitengewoon weinig neiging is om dat te veranderen. „Vrouwen hebben het gevoel dat ze het thuis met hun partner moeten oplossen. Net als in ’68. De emancipatie van de vrouw is weer gedevalueerd tot een individueel probleem, net als in ’68. Toen we dat opschreven, was het onbehagen niet langer individueel, maar collectief.

„Om het nu weer tot collectief onbehagen te maken kun je niet dezelfde attributen inzetten als toen. Hoe dat nu moet, weet ik niet. Maar het zal zeker gebeuren, want je kunt niet zoveel talent ongebruikt laten.”

Lees het essay van Joke Smit en eerdere artikelen over mei 68 op nrc.nl/mei68