Verbeelding is een spier die je moet trainen

Nu in het Filmmuseum: een programma rond Luis Buñuel.

Zijn zoon Juan Luis Buñuelhaalt herinneringen op aan zijn wereldberoemde vader.

„Hier liep ik veertig jaar geleden met 100.000 studenten”, vertelt Juan Luis Buñuel. Hij wijst door het raam van brasserie La Coupole naar de Boulevard du Montparnasse. „Ik had een acht-millimetercamera bij me en probeerde zoveel mogelijk vast te leggen. Ik liep in de achterste rij. Daardoor was ik de eerste die de klappen van de politie kon opvangen.”

Zijn vader, de toen al wereldberoemde Spaanse regisseur Luis Buñuel (1900-1983), was ambivalent over de Parijse protesten van mei ’68. Zijn vaste co-scenarist Jean-Claude Carrière vertelde dat Buñuel beduusd door het Quartier Latin liep, de puinhopen overzag en zich afvroeg: hebben wij dit aangericht? Een deel van de opstandige studenten beschouwde zich als verre nazaten van het surrealisme. Als jonge surrealist had Buñuel in 1930 nog gepleit voor het opblazen van het Prado-museum in Madrid. Maar later in zijn leven onderstreepte hij dat de surrealistische revolte zich vooral in de verbeelding afspeelde.

„De houding van mijn vader in ’68 had veel te maken met zijn leeftijd”, zegt Juan Luis Buñuel (73). Hij is beeldhouwer en filmmaker en nu ongeveer even oud als zijn vader toen was. „Zelf zou ik nu ook niet meer de straat op gaan.”

Luis Buñuel onderhield in zijn late, en nog steeds bekendste, films een dubbelzinnige verhouding met de tijdgeest. In films als Belle de Jour (1967), Le charme discret de la bourgeoisie (1972) en Cet obscur objet du désir (1977) onderzocht hij zijn geliefde thema’s als de amour fou (de obsessieve liefde), gaf hij freudiaanse inkijkjes in verwrongen seksualiteit en toonde hij met smaak de overbodigheid van de bourgeoisie aan (hoewel hij zelf leefde als een keurige burger). Dat waren populaire onderwerpen in die tijd. Maar militant was Buñuel niet meer, zijn fameuze wreedheid was behoorlijk afgezwakt. De toon van die films is mild, ironisch.

Toch was hij de man die de filmhistorie binnenstormde door een oog door te snijden, in de korte film Un chien andalou (1929). Het scenario schreef hij samen met Salvador Dalí, een studievriend die hij kende uit Madrid. „Dalí en mijn vader bestookten elkaar met beelden en ideeën”, vertelt Buñuel. „Er waren maar een paar regels bij het schrijven van het scenario. Er mocht geen rationele samenhang ontstaan en geen symboliek.” Tot Buñuels teleurstelling nam weldenkend Parijs helemaal geen aanstoot aan de film, die maandenlang volle zalen trok. Zijn tweede film moest meer aanstoot geven. In L’Âge d’or (1930) liet hij De Sade uitbeelden door een Christusfiguur. Dat werkte: extreem-rechtse relschoppers verstoorden een vertoning en de film is decennia lang verboden geweest in Frankrijk.

Buñuel: „Mijn vader is altijd een groot wantrouwen blijven koesteren ten opzichte van succes. Hij zei over Belle de Jour dat die film alleen maar zo’n publiekstrekker was omdat Catherine Deneuve daarin in een bordeel werkt. Zelf was hij uitsluitend geïnteresseerd in het fantasieleven van het personage.”

De Spaanse burgeroorlog en de overwinning van Franco verdreven Buñuel uit zijn vaderland. In de Verenigde Staten bleek hij niet aan de bak te kunnen komen. Vervolgens streek hij met zijn vrouw en twee zonen neer in Mexico. Daar is een groot deel van zijn oeuvre ontstaan, voordat hij door films als Los Olvidados (1950), Nazarín (1959) en vooral, Viridiana (1961) in Europa werd ‘herontdekt’ en zijn carrière kon besluiten in Frankrijk.

Un chien andalou en L’âge d’or zijn inmiddels historische documenten. De late films van Buñuel missen soms spanning, juist door de milde en ironische benadering. Maar veel Mexicaanse films uit Buñuels ‘middenperiode’ zijn nog steeds weergaloos; de films uit die tijd gelden meer en meer als de kern van zijn oeuvre. Toch zijn de Mexicaanse films nog altijd de minst bekende. Het Filmmuseum doet daar wat aan in een retrospectief, ter ere van Buñuels 25ste sterfjaar.

Ook Buñuel junior zijn de Mexicaanse films lief. Een van zijn favorieten is La ilusión viaja en tranvía (1954). Daarin beginnen twee dronkelappen een eigen tramlijn in Mexico-Stad. „In het bagagerek ligt een groot stuk vlees. Dan stappen twee hoogwaardigheidsbekleders in, die in werkelijkheid in Mexico nooit met de tram zouden gaan. Zij krijgen dat stuk vlees natuurlijk op hun hoofd. Dat is een fantastisch, surrealistisch beeld, en ook nog eens een beeld dat een revolutionaire strekking heeft.”

Waar komt de herwaardering voor Buñuels Mexicaanse films vandaan, en waarom zijn ze lang onderschat? Buñuel werkte in Mexico binnen het commerciële productiesysteem van dat land. Hij moest zijn persoonlijke, surrealistische interesses films binnen smokkelen die een breed publiek moesten aanspreken. Dat is vaak uitgelegd als een knieval, een stap terug voor een kunstenaar die begon als prominent lid van de klassieke avant-garde. Maar nu de avant-garde al geruime tijd op apegapen ligt, wordt daar genuanceerder over gedacht.

Daarnaast is de filmwereld traditioneel sterk op de Verenigde Staten en Europa gericht. Buñuels herontdekking verliep in de jaren 50 via het filmfestival van Cannes. Hij moest terugkeren naar Parijs om als kunstenaar weer helemaal serieus te worden genomen. Ook dat is aan het veranderen, maar een echte ‘gemondialiseerde’ geschiedschrijving van de film is nog steeds relatief nieuw.

En nog een verklaring is dat het werk van Buñuel zich uitstekend leent voor de ‘auteursbenadering’ van de jaren 50 en 60, die het persoonlijke handschrift en de individuele thematiek van de filmmaker wil blootleggen. Maar óók voor een analyse die uitgaat van de grote hedendaagse belangstelling voor kwesties rond – seksuele, nationale en culturele – identiteit.

In El (1953), een film over een paranoïde man die zijn echtgenote met naald en draad belaagt om haar vagina dicht te naaien, duikt Buñuel diep in de krochten van de geest van de macho. Ensayo de un crimen (1955) is een komisch meesterwerk over een dandy die er maar niet in slaagt een lustmoord te plegen, omdat zijn beoogde slachtoffers hem steeds te snel af zijn door zelf te overlijden.

Als Spanjaard die vooral in Frankrijk en Mexico heeft gewerkt, is Buñuel lastig in te lijven bij een nationale filmtraditie. Ook dat maakt hem interessant in een tijdperk van globalisering. Dat religie, een van Buñuels hardnekkigste obsessies, weer actueel is, behoeft verder geen betoog. Buñuel was een overtuigd atheïst, die zijn opvoeding bij de jezuïeten nooit helemaal te boven kwam. Beroemd zijn zijn woorden: „Ik ben atheïst, God zij dank.”

In sombere maar zwart-komische films als Nazarín (1959) en Viridiana (1961) legt Buñuel christelijke personages op de pijnbank. De hoofdpersonen zijn zuivere gelovigen, maar hun pure naastenliefde heeft desastreuze gevolgen. De burgerij krijgt de Buñuelbehandeling in El Ángel exterminador (1962), over een dinergezelschap dat om mysterieuze redenen de kamer niet meer kan verlaten; een film die minstens zo sterk is als Buñuels latere films over de bourgeoisie.

Buñuels beste Mexicaanse films kunnen de toeschouwer nog steeds overrompelen. Hoe moet dat in de jaren vijftig in Mexico zijn geweest? Buñuel: „De meeste Mexicanen begrepen daar helemaal niets van. Die dachten: Buñuel zal wel aan de marihuana hebben gezeten.”

Niet alleen de geest van mei ’68 waart rond in dit deel van Parijs. Brasserie La Coupole is ook de plaats waar de surrealisten elkaar ontmoetten in de jaren 30, en waar Buñuel in de jaren 60 iedere dag lunchte (altijd stipt om twaalf uur). Op de hoek van de straat staat nog steeds Hôtel l’Aiglon waar Buñuel in die tijd woonde, op de bovenste verdieping, met uitzicht op begraafplaats Montparnasse.

Na afloop van het gesprek wijst zijn zoon het balkon aan van de kamer van Buñuel. „Het balkon daarnaast was van de moeder van Sartre. Zij voerde de duiven, die dan op het balkon van mijn vader kwamen schijten. Daar kon hij woedend over worden.”

Nog een laatste les van zijn vader, die hem op de valreep te binnen schiet. „Hij zei vaak: de verbeelding is een spier die je elke dag moet trainen. Je moet elke dag een nieuw verhaal verzinnen: er loopt een meisje door een bos, ze laat een spoor van broodkruimels achter... Wacht, dat verhaal bestaat al... Dan moet je iets beters bedenken. Zo moet je de verbeelding trainen, zoals een sportman zijn lichaam traint.”

Juan Luis Buñuel heeft het druk in dit herdenkingsjaar van zijn vader. Behalve in Amsterdam zijn er ook retrospectieven in Berlijn en Wenen. „Ik denk vaak aan mijn vader. Maar niet omdat dit een bijzonder jaar is. Dat interesseert me helemaal niets. Het zou hem ook niks kunnen schelen.” Mist hij zijn vader? „Zeker. Mijn moeder mis ik ook. We waren een goed gezin.”