Van deze kant van de Blauwbrug gezien

Deze weken staan in het teken van de herinnering – de herinnering aan mei ’68 en de herinnering aan de jaren 1940-1945. Op de herinnering aan het eerste evenement nam ik op 3 april hier een voorschot door die revolte als biologisch verschijnsel te behandelen – misschien een theorie van de koude grond.

Tot een herinnering aan de bezettingsjaren werd ik geïnspireerd door Elsbeth Etty’s bespreking (in de Boekenbijlage van 2 mei) van Joosje Lakmakers zojuist verschenen boek Voorbij de Blauwbrug, het verhaal van haar joodse geëmancipeerde grootouders, die met vrijwel al hun familieleden de oorlog niet hebben overleefd.

Die bespreking trof mij in ’t bijzonder omdat ik de vrijwel enige overlevende van die familie, Hans Lakmaker, vader van de schrijfster, heb gekend. Ik zat met hem in de twee laatste klassen van het Amsterdamse Barlaeus Gymnasium. Daarna heb ik hem nog twee keer ontmoet: een keer in begin 1942, toen ik een vriend vergezelde die, tegelijk met Lakmaker, een medisch tentamen moest doen; de tweede keer in 1985, bij de viering van het eeuwfeest van het Barlaeus (hij was toen in gezelschap van Irene Vorrink, minister voor milieu in het kabinet-Den Uyl en ook een oud-klasgenoot).

Mijn herinnering is dus niet zozeer een herinnering aan de oorlogsjaren alswel aan het voorspel (zoals de titel luidt van het eerste deel van L. de Jongs geschiedenis van Nederland in de Tweede Wereldoorlog). Het was in de jaren 30 dat Hans Lakmaker en ik op het Barlaeus zaten, een openbare school met dus een sociaal gediversifieerde bevolking, waaronder, conform Amsterdamse bevolking, betrekkelijk veel joden.

Ook in mijn klas zaten nogal wat joodse leerlingen. Zo herinner ik mij, behalve Lakmaker, een zekere Nenner, een zionist (die ik, veel later, eens op de televisie in de burgemeester van Eilat meende te herkennen), Ben van Esso (ook eens op de televisie als Israëli gezien) en Ruth Wolf, die een vrij bekende schrijfster en vooral vertaalster (o.a. van Rilke) zou worden.

Bestond er een scheidslijn tussen joodse en niet-joodse leerlingen? Nee, als er van een scheidslijn gesproken kon worden, dan was die meer sociaal dan raciaal. Veel van de joodse gymnasiasten kwamen, zoals Lakmaker, uit gezinnen die een generatie terug nog tot het proletariaat, zo niet subproletariaat, hadden behoord en ‘voorbij de Blauwbrug’ over de Amstel hadden gewoond. De rijkere joden stuurden hun kinderen meestal naar het Amsterdamsch Lyceum, een particuliere school.

Maar ook die sociale scheidslijn was zeer betrekkelijk. Zo zaten Lakmaker en Nenner in de klas naast een jongen wiens vader Hongaars edelman was en moeder een Nederlandse. Hij koketteerde nogal met zijn rechtse sympathieën (hij werd later hoogleraar). Tussen die drie bestond er een soort goedmoedig plagerige relatie.

In mijn herinnering gingen Lakmakers sympathieën niet zozeer uit naar de SDAP (voorloper van de PvdA), maar naar de revolutionair-socialisten van Sneevliet. Die herinnering vond ik min of meer bevestigd in Elsbeth Etty’s bespreking, waarin staat dat Lakmakers vader zich had aangesloten bij de Onafhankelijk Socialistische Partij (waartoe Jacques de Kadt enige tijd heeft behoord), die in 1935 een fusie met de revolutionair-socialisten zou aangaan.

Anders dan zijn vriend (althans klasgenoot) Nenner was Lakmaker geen zionist. „Het jodendom zei hem niets. Hij groeide op in een milieu waar ten diepste geloofd werd in gelijkheid van mensen, ongeacht hun herkomst”, schrijft zijn dochter (aldus geciteerd door Etty). Sterker nog: „Het jodendom werd een stigma voor de rest van zijn leven, en de breuk tussen de optimistische wereld van thuis en de werkelijke gebeurtenissen kon niet groter zijn.”

Ook aan zijn eigen kinderen vertelde Lakmaker nooit iets over het lot van zijn ouders en broer, die, omdat zij joden waren (als hoedanig zij zich niet voelden), waren vermoord. Ook hoe hij zelf de oorlog had overleefd, liet hij in het duister. Zijn leven lang moet hij dit verdrongen hebben. Als je dat weet, dan komt zijn zelfmoord in 1991 niet als een verrassing – wat het wél was toen ik er enige jaren geleden van een andere dochter van hem voor ’t eerst van hoorde.

(Hier moet ik Elsbeth Etty even corrigeren. Zij schrijft dat Lakmaker bijna 65 was toen hij in 1991 zelfmoord pleegde. Als dat juist zou zijn, zou hij in 1926 zijn geboren, te jong dus om met mij in 1936 eindexamen te hebben gedaan. Maar het klopt ook niet met een foto uit ‘omstreeks 1918’ bij die bespreking waarop je hem als baby op schoot van zijn moeder ziet zitten.)

Toegegeven, mijn herinnering is er een van deze kant van de Blauwbrug. De lezer krijgt daardoor misschien de indruk dat er in de jaren 30 helemaal geen sprake was van antisemitisme in Amsterdam. Dat ik er op school niets van heb gemerkt, wil niet zeggen dat het er niet was. Joosje Lakmaker geeft er in haar boek verscheidene voorbeelden van, maar – en dit wordt niet bij wijze van vergoelijking gezegd – dit was meer een sociaal dan een politiek antisemitisme.

Het was een antisemitisme dat zichzelf niet of nauwelijks als antisemitisch beschouwde; een antisemitisme dat grapjes maakte over de joodse ‘woestijnpas’ (die erfenis zou zijn van veertig jaar door de woestijn dwalen). Veel van de jodengrappen kwamen overigens van joden zelf en werden, vaak via de Amsterdamse Beurs, gemeengoed. Het was het antisemitisme van de gezeten liberale burger die tegen zijn huwbare dochter zei: „Ik heb nog liever dat je met een joodse dan met een roomse jongen komt aanzetten.” Het antisemitisme dat – nu wordt het erger – joden stilzwijgend het lidmaatschap van bepaalde clubs ontzegde.

Onschuldig dus? Niet helemaal, want dat sociale antisemitisme heeft het toch mogelijk gemaakt dat velen, misschien met medelijden, misschien zelfs met ontzetting, de vervolging en ten slotte de deportatie van de joden in de jaren 40 lijdelijk hebben aangezien. Maar hierin was Nederland niet alleen.

Wilt u reageren? Schrijf de auteur via dezerdagen@nrc.nl of neem deel aan de onlinediscussie op nrc.nl/heldring