Stadje Labutta een baken van hoop

Overlevenden van cycloon Nargis in Birma wachten op hulp van de regering en internationale organisaties. Intussen doen inwoners en monniken wat zij kunnen.

Het Birmese stadje Labutta, de enige hoger gelegen plaats in een eindeloze watervlakte, is een baken van hoop geworden voor de overlevenden van cycloon Nargis in het zuidwestelijke deel van de Irrawaddy-delta. In gammele bootjes, met van dekens geïmproviseerde zeilen, hebben de boeren en vissers de tocht naar Labutta gemaakt, langs de opgezwollen lijken van hun dorpsgenoten die tussen het omgekomen vee in het water drijven. Sommigen waren halfnaakt, anderen hadden de kleren van de doden afgehaald.

Zes dagen nadat de cycloon en de vloedgolf die zij veroorzaakte grote delen van de delta overstroomden, heeft een Birmese journalist die voor persbureau AP werkt het rampgebied bereikt. In Labutta (209.000 inwoners) wachten de overlevenden op hulp van de regering en internationale organisaties. Lokale inwoners en boeddhistische monniken doen wat zij kunnen, maar de voorraden aan voedsel, drinkwater en benzine raken op. Hongerige slachtoffers zouden de paar winkels met voorraden geplunderd hebben. Op sommige plaatsen wordt gevochten om voedsel.

Het stadje zelf is zwaar beschadigd. Telfoonmasten zijn omgewaaid, daken afgerukt, de straten liggen vol puin. Maar veel gebouwen staan nog overeind, in tegenstelling tot de huizen in de omringende dorpen, waarvan velen compleet verwoest zijn.

In de Aung Daw Mu-tempel hebben honderden mensen een droog onderkomen gevonden. Een Birmese hulporganisatie kookt er eten, monniken organiseren ruimte om te slapen. „Ik heb aan een palmboom gehangen tot de storm ging liggen”, vertelt de 55-jarige Phan Maung huilend. „Ik heb geen idee wat er is gebeurd met mijn vrouw en kinderen.” Veel overlevenden zijn te ontdaan om hun vluchtverhaal te vertellen. Van degenen die dat wel deon, willen de meesten hun naam niet geven, uit angst voor represailles van de junta, die onder hoge druk staat om buitenlandse hulp toe te laten. Veel slachtoffers zijn bang dat kritiek de militaire leiders slechts strenger zal maken.

„Ik ben de enige overlevende van een familie van elf”, vertelt een anonieme man. „Alle inwoners van mijn dorp zijn omgekomen.” En zo komen er uit meer dorpen berichten dat bijna niemand er de ramp heeft overleefd.

De 38-jarige Khin Khin Mya wacht elke dag bij de pier van Labutta tot er boten met nieuwe ontheemden aanmeren, in de hoop dat ze daar haar moeder, kinderen en echtgenoot terugvindt. Maar er komen steeds minder boten. „Ik wil zoveel mogelijk mensen helpen”, vertelt bootsman Maung Hyay, „maar er is onvoldoende brandstof om mensen te vervoeren.” Zijn boot blijft aan de kade.

In het ziekenhuis is een compleet gebrek aan artsen, medicijnen en hulpmiddelen. Een man met een afgerukte voet en een verbrijzeld been ligt in een geïmproviseerd bed. „We kunnen niets anders doen dan wachten tot hij sterft”, zei zijn vriend. Familieleden proberen met een roestige naald zijn wonden te hechten.

Terwijl boeddhistische monniken de bevolking te hulp schieten, doet de junta er alles aan om te voorkomen dat berichten en beelden daarover naar buiten komen, meldt het in Thailand gepubliceerde tijdschrift The Irrawaddy vandaag. Militairen zouden de monniken verboden hebben om kloosters voor opvang te gebruiken. „De mensen mogen alleen onderdak zoeken in scholen”, aldus een Birmese journalist in Rangoon. „Zelfs als de monniken water willen uitdelen aan de overlevenden, moeten ze toestemming van de autoriteiten krijgen.” Het ministerie van Informatie zou journalisten verboden hebben om foto’s van helpende monniken af te drukken. De Birmese staatskranten tonen foto’s van hoge generaals die hulppakketten uitdelen. Het nieuwste grapje in Rangoon: we zien het leger nergens, behalve in de krant.