Scusi, attenzione! Ga aan de kant!

Elke maand een reisverhaal. Vandaag: Bologna.

Bologna – in de schaduw van Venetië en Florence maar zeker niet minder interessant – verken je per fiets in 2 uur.

De bussen, scooters en vooral auto’s zijn de baas op de weg. Als een auto onverwacht voor je keert, zonder richting aan te geven, en jij als fietser daardoor onverwacht op zijn bumper zit, dan heb jij het gedaan. Dit is Italië!

Verwacht hier geen gemarkeerde fietspaden of strakke witte lijnen langs de weg. Het centrum van Bologna telt er volgens de kenners precies twee, waarvan één na vijf meter al ophoudt. Kortom: je moet stalen zenuwen en lak aan de plaatselijke arrogantie hebben om je hier als fietser te kunnen verplaatsen.

Gelukkig rijd ik naast gids Kate Koziel. Zij werkt voor het bureau Prima Classe dat fiets- en wandeltochten organiseert in Bologna. Ze kent het stratenplan uit haar hoofd, weet alles van eenrichtingsverkeer en heeft studie gemaakt van de relatief rustige wegen in de stad. Helaas beginnen die niet vlakbij Prima Classe. We fietsen door Via del Pratello, een beroemde uitgaansstraat waar vroeger getippeld werd en nu rond borreltijd alle bars hun parasollen openslaan. Voorovergebogen op een mountainbike hobbelen we over honderden keitjes, een niet-ongebruikelijk wegdek in dit historische centrum.

In de Middeleeuwen beleefde de Noord-Italiaanse stad zijn gouden eeuw. Bologna opende als eerste stad in Europa, in 1088, een universiteit. En niet alleen voor de adel. Het was een openbare universiteit. In 1300 stroomden duizenden studenten naar deze geleerde stad, waardoor Bologna groeide, overbevolkt raakte en Rome naar de kroon stak. Nu houden de honderdduizend studenten die Bologna telt – op een totale stadsbevolking van ongeveer vierhonderdduizend – zich op ten noordoosten van het centrum.

Piazza Verdi is dé hangplek van de nog steeds alternatief ogende studentenbevolking. In de jaren zeventig beheersten opstandige linkse studentengroepen het politieke leven in Bologna. Nu zien we studenten met rastahaar een sigaretje roken in de zon. Ze luisteren naar de operaklanken uit het aangrenzende Teatro Comunale, dat zijn ramen op een kier heeft staan. Er is weinig opstandigheid te bespeuren. Ze zijn in elk geval wel de grootste fietsgebruikers van de stad. Overal staan oude rammelbakken met mandjes tegen muren.

De volgende stop is Piazza Maggiore, hét plein van Bologna, waarop veel architectonische pronkstukken van de Middeleeuwse stad te vinden zijn. Ook hier groepen scholieren, toeristen en, later die middag, demonstranten die met spandoeken en luid geschreeuw opkomen voor het recht op abortus. Wij bekijken vanaf de fiets de paleizen, het metershoge beeld van Neptunes dat in preutsere tijden door de kerk een bronzen broek aangemeten kreeg (in meer ruimdenkende tijden weer verwijderd) en de beroemde Basiliek van San Petronio.

Deze kerk liet de stad aan het eind van de veertiende eeuw bouwen om de overwinning van Bologna op Florence en de toenmalige paus te vieren, weet mijn gids. Er werd twee eeuwen aan gewerkt, maar toen kwam een latere paus tussenbeide, omdat hij bang was dat de basiliek groter zou worden dan de Sint Pieter in Rome. Toch blijft dit de belangrijkste kerk voor de Bolognezen. Over de naburige kathedraal, de hoofdzetel van het bisdom, heeft niemand het.

We zien hekken en controleurs voor de basiliek. Ze zijn bang voor rugzakken met explosieven, zegt Kate. In een van de kapellen hangt sinds 1410 een fresco van Giovanni da Modena waarop de gruwelijkheden van de hel worden afgebeeld. Als je 20 eurocent in het kastje voor de kapel werpt, gaat er een lichtje branden en zie je demonen die van naakte mensen peuzelen. Maar wat het doek extra spannend maakt, is dat een van de afgebeelde verschoppelingen Mohammed is.

Later puffen we even uit bij de oudste en inmiddels scheefgezakte Due Torri, gebouwd in de elfde en twaalfde eeuw door twee rivaliserende families. In de Middeleeuwen staken bijna tweehonderd torens boven de Bolognese daken uit. Het waren de burchten van de adellijke families. Hoe hoger de toren, des te machtiger de familie. Nu telt de skyline er nog maar een stuk of twintig, moderne flats meegerekend. Kate laat zien dat de ingang, waar je nu kaartjes koopt om de de hoogste van de twee, La Torre degli Asinelli (97m), te beklimmen niet de echte ingang is. Die zat hoger, zodat de familie in tijden van strijd met een touwladder naar binnen kon klimmen en, eenmaal boven, kokende olie over de vijand kon uitgieten.

De ronde van Bologna zit er bijna op en ik kan vaststellen dat mijn handen het stuur minder krampachtig vasthouden dan twee uur geleden. We fietsen door het chiquere deel van de stad, vlakbij de San Domenico-kerk, de rechtbank en de beste koffietent van Bologna: Zanarini. Mannen in donkerblauwe maatpakken met aktenkoffers passeren ons in zelfverzekerde tred en gunnen ons fietsers geen blik waardig. Fietsen is hier nog altijd niet populair. Ik moet niet vergeten, zegt Kate, dat een modebewuste Italiaan voor elke gelegenheid bijpassende kleding heeft. We zien een man voorbij scheuren op een racefiets, met fietshelm, gekleed in een glanzend blauw pakje waar gebruinde kuiten onderuit steken. Ik begrijp wat ze bedoelt. Je stapt hier niet zomaar op een fiets.

Voor het langste fietspad, ongeveer acht kilometer, moet je buiten de stadmuren van Bologna zijn. Daar loopt een pad langs het Reno kanaal. Bij de tourist office aan de Piazza Maggiore kun je een fietskaart krijgen van Bologna en omgeving en informatie over fietsverhuur (circa 10 euro per dag). De fietstochten van Prima Classe: www.bolognaguide.it.