Klein Yab Yum

Het is al weer jaren geleden dat het bordeel van de Zwitser, de koning van de skelterbaan, werd gesloten. De Braziliaanse meisjes die er werkten hadden geen papieren en de helft was te jong. Opnieuw zagen we aan de Grote Weg het particulier initiatief opduiken, losse hoertjes wachtend in de berm op vrachtwagenchauffeurs uit Spanje bij wie na honderden kilometers slecht wegdek de percussie in het bloed was gekropen. Het waren oude en lelijke hoerren, echt iets voor een minder verfijnd publiek. Nu eens hing er één zakdoek in de struiken, dan weer twee. Een andere keer hadden ze een flard van een laken of een gele lap aan de takken gehangen. Het waren codes, tekens uit een taal die alleen de vrachtwagenchauffeurs begrepen.

Voor de iets kieskeuriger toerist bestond er niets.

Nu is er dan eindelijk een nieuw, fraai en besloten etablissement. Aan dezelfde Grote Weg, maar heel wat dichterbij. Gewoon het oude restaurant van de neger uit Mozambique, pal aan de weg gelegen, een pand met negentiende-eeuwse, vreemdsoortige uitstulpingen. Er kwam nooit een hond, doelbewust niet omdat het eten er oneetbaar was, en spontaan ook niet, omdat de tuin naast het pand die als parkeerterrein had kunnen dienen was gebarricadeerd. Je moest er wel voorbijstuiven. Je had geen andere keus.

’t Stond in het lokale sufferdje, dat ze het hadden verbouwd tot hoerenkast. De neger uit Mozambique had het bijltje er bij neergegooid. Een nieuwe exploitant was aan een nieuwe lente begonnen.

Iedereen in de omgeving die over een auto beschikte, over een motor of een bromfiets, reed erlangs om het wonder te aanschouwen.

De tuin was omgetoverd tot parkeerterrein, met een elektronisch bestuurde poort. Je moest heel langzaam rijden om door het gat van de poort nog een glimp op te vangen van de geparkeerde auto’s. Een betonnen wand onttrok het terrein aan het al te nieuwsgierige oog.

Ook waren de eerste verhalen al binnen over vrouwen die op de weg hadden staan schreeuwen omdat ze zeker wisten dat hun kerel zich in de attractie ophield. Het was al ver na zessen en het eten stond klaar.

Het sufferdje onthulde het bestaan van het bordeel niet om er reclame voor te maken. Het bleek nieuws omdat het pand eigendom was van een wethouder van de overkoepelende gemeente. De wethouder was socialist en het sufferdje was dat allesbehalve.

Of het passend was, had de luizige journalist gevraagd, dat een socialistische wethouder als eigenaar fungeerde van het enige en dus grootste bordeel van de omtrek?

Hij had geen zeggenschap over het gedrag van zijn huurders, aldus de wethouder. Hij had het verpacht aan iemand die hij niet kende. Hij hoefde niet vooraf te weten wat huurders met hun panden gingen uitspoken. Het had nu net zo goed een bakkerij kunnen zijn.

Waarom dan van de ene op de andere dag die vergunning om van het aangrenzende, braakliggende landje een parkeerterrein te maken, een vergunning waar de man uit Mozambique jarenlang vergeefs naar had gesmacht?

Dat viel onder een andere wethouder. Daar ging hij niet over.

En waarom die monsterlijke betonnen muur, pal aan de weg?

Muurtjes waren ook zijn bevoegdheid niet.

Er is gelukkig weer vermaak genoeg.

Gerrit Komrij