Kind weet al vroeg wie het weten kan

Kinderen van drie en vier jaar oud zijn al in staat om bij te houden wie in hun omgeving het vaak bij het rechte eind hebben. Van mensen die vaak gelijk hebben zullen ze vaker een nieuw woord leren of de functie van een nieuw onbekend voorwerp. Dit blijkt uit een aantal experimenten met in totaal tachtig kinderen waarover twee Canadese psychologen en een Amerikaanse publiceren in het juni-nummer van het vakblad Cognition.

Voor de ogen van de kinderen verschilden twee poppen duidelijk van mening over de naam van vreemde objecten (zoals een dingetje om een bril aan een vizier te bevestigen, een gele knoflookpers, of bijvoorbeeld buitenissig visaas) die telkens twee aan twee ter sprake kwamen. De kinderen namen vrij consequent de naam (fantasienamen als ‘turly’ of ‘ferby’) over van de pop die daarvoor gewone voorwerpen goed had benoemd.

Een ingenieuze wending in een tweede experiment is dat dan de poppen dezelfde naam aan de twee vreemde voorwerpen gaven, bijvoorbeeld ‘koba’. Als de experimentleider dan het kind vroeg om de ‘modi’ dan gaf het vrij vaak het voorwerp dat door de minst accurate pop de ‘koba’ was genoemd. Dan zal die het dus wel zijn, denkt dan het kind. Daarmee wordt aangetoond dat het kind spontaan die woorden leerde door afweging van de betrouwbaarheid van de beschikbare zegslieden (in dit geval dus poppen). Het is aannemelijk dat zo’n betrouwbaarheidstoetsing op de een of andere manier kan zijn aangeboren, omdat zoiets het leerproces enorm kan versnellen.

Ook eerder was wel experimenteel vastgesteld dat drie en vier jarigen liever nieuwe woorden leren van mensen die duidelijk toonden verstand van zaken te hebben (door bijvoorbeeld bekende voorwerpen de juiste namen te geven) dan van mensen die daar een potje van maakten (door een bal een schoen te noemen).