IJzeren Man

De fusilladeplaats van Kamp Vught, men zei mij dat ik daar vooral eens heen moest. Het kon er zo indrukwekkend stil zijn. Om die stilte te waarborgen, was het beter kort ná de Nationale Dodenherdenking te gaan, als iedereen even genoeg had van het herdenken.

En inderdaad, Kamp Vught lag er gisteren onder een blakerende zon bij alsof er nooit schoolklassen, kransleggende burgemeesters, Duitse ambassadeurs en half onder eretekens schuilgaande militairen komen. Zelfs de kantine was dicht.

Om er te komen, reden we langs de IJzeren Man, een recreatieplas even buiten Vught. De eerste baders zaten al op het zandstrand. Ik had nooit beseft dat die plas er al zo lang lag, dat merkte ik pas toen ik in een expositieruimte van het Kamp rondliep. Daar hangen kleurenfoto’s van de IJzeren Man, genomen in de oorlogsjaren. We zien hoe baders zich in kuise badpakken verpozen. Onder de foto’s staat een citaat uit het dagboek van David Koker, de vriend van Karel van het Reve, die in Vught gevangen zat en later op weg naar Dachau stierf.

Op 28 mei 1943 beschrijft Koker hoe ze met vijf man, onder bewaking van twee SS’ers, op weg naar hun werk op de heide gingen. Hij genoot, ondanks de wrange omstandigheden, van een ‘mooie wandeling’. Ze kwamen op de heide, „en dat was het mooiste, wat ik ooit heb gezien. De vochtige, glinsterende donkere begroeiing daarachter, een lange witte muur van nevel, hoger daaroverheen struiken en aan de einder een hoog dennenbos. En boven dat alles een zon, tussen nevelslierten en restanten wolken.”

En verderop: „In ieder geval, een prachtige dag, ondanks alles. Ik had bijna tranen in mijn ogen , toen ik door het dorp kwam en huiskamers zag. Wat zijn we niet al ver. En op de terugweg de mensen. Veel vacantiegangers, die een pieus gezicht trekken als wij voorbij gaan, met onze sterren en onze SS-man achter ons. Vakantiedrukte om de IJzeren Man heen.”

Iets van zijn ambivalente gevoelens onderga ik zelf als we aan het einde van de dag op weg gaan naar de fusilladeplaats, op een kwartier lopen van Kamp Vught. De zon gloeit na in de blaadjes van de eiken en berken om ons heen, af en toe is er uitzicht op glinsterend water, kortom, de natuur is hier en op dit uur op haar onschuldigst.

Ja, wat je noemt een ‘mooie wandeling’.

Ook de fusilladeplaats ligt er prachtig bij. Je ziet hem pas als je vlak voor de verroeste poort staat. Daarachter strekt zich tussen de bomen een verhard voetpad van minstens 400 meter uit. Aan het eind ervan verrijst een breed, zandstenen front van 26 panelen met de namen van de 329 gevangen mannen die hier door Nederlandse SS’ers werden doodgeschoten.

De namen van de mannen op de panelen zijn gerangschikt in alfabetische volgorde van hun geboorteplaats. De rij begint met Fritz G.M. Conijn (27.6.23 – 6.9.44) uit Alkmaar en eindigt met Johannes Hagedoorn (2.6.11 – 10.8.44) uit Zwolle. Jonge, veel te jonge mannen toen ze hier moesten sterven.

Ik kijk telkens het pad af waarover ze gekomen zijn, geduwd misschien wel, voor ze hier werden geëxecuteerd. Vierhonderd verschrikkelijke meters met de dood voor ogen. En om je heen die lachende, uitbundige natuur die doet alsof er niets aan de hand is, alsof het leven één grote vakantie bij de IJzeren Man is.