Aan de benzinepomp telt elke extra cent

Er zijn van die wetmatigheden. Zo leidt een stevig stijgende olieprijs altijd en overal tot een discussie over de hoogte van de benzineprijs aan de pomp. In de Verenigde Staten probeerde Democratisch presidentskandidate Hillary Clinton vorige week nog stemmen te trekken door Amerikanen een belastingkorting op benzine aan te bieden ter compensatie van de prijsstijgingen.

In Nederland houdt de politiek zich tot nu toe rustig. Maar ook hier begint de hoge olieprijs pijn te doen aan de pomp. Een liter euroloodvrij kostte op 1 januari 2007 nog 1,307 euro, inmiddels moet 1,518 euro betaald worden voor een liter.

Terugkerend ritueel in de benzinediscussie is het aandeel dat de overheid opstrijkt van elke verkochte liter brandstof. Dat aandeel is met 62 procent nog steeds een van de hoogste ter wereld. De stijgende olieprijzen hebben er volgens belangenorganisatie Bovag voor gezorgd dat Financiën vorig jaar een meevaller van 60 miljoen euro binnen kreeg.

Toch is de relatieve belastingdruk op een liter benzine sinds 2004 gedaald van 71,1 procent destijds naar iets meer dan 62 procent nu. Dat betekent dat de overheid jaarlijks wel meer geld binnenhaalt uit de benzinebelastingen, maar relatief een steeds kleiner deel van de prijs aan de pomp bepaalt.

Dit heeft alles te maken met de manier waarop er belasting op brandstof wordt geheven. Het overgrote deel is een accijns, een vast bedrag. Voor 2008 is de accijns op een liter benzine gefixeerd op 69,4 eurocent. Het levert de staat 4,1 miljard op. Een ander deel van de belasting is de BTW. Die bedraagt 19 procent van de verkoopprijs (productie, distributie, marges én accijnzen).

Om te voorkomen dat het vaste bedrag van de accijns nominaal minder waard wordt, wordt sinds de jaren negentig de accijns jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de inflatie.

Bovag roept dan ook op om wegens de hoge prijzen aan de pomp volgend jaar af te zien van de indexatie van de accijns. Bijkomend argument voor de Bovag is dat de BTW waarschijnlijk wordt verhoogd van 19 naar 20 procent per januari 2009.

Intussen blijft de olieprijs gestaag stijgen. Een stijging tot 200 dollar per vat wordt inmiddels als mogelijk ervaren. Nu kost een vat olie 123 dollar.

Als een vat olie werkelijk naar 200 dollar gaat, zal de prijs aan de pomp de komende tijd verder oplopen. Meer inkomsten voor de staat, dus. Maar door de vaste accijns zal het relatieve aandeel voor de schatkist verder afnemen, wellicht zelfs tot onder de 50 procent. Minder dan de helft! Dat levert een niet te versmaden retorisch voordeel op voor de minister van Financiën.

Egbert Kalse