Rauw van het dak

Nicolien Mizee geeft een cursus verhalen schrijven aan de Volksuniversiteit. Ze laat zich inspireren door haar leerlingen.

‘Ik heb er vannacht nog een stuk achteraan geschreven”, zegt Karel. „Waar heb ik het… hier.” Hij springt op en deelt papieren uit. De anderen kijken een beetje benauwd. Karel begint al aan zijn derde stuk, terwijl zij nog allemaal aan hun eerste verhaal zitten te zwoegen. Karel is een echte schrijver.

„Ik beschrijf de situatie vanuit twee perspectieven”, zegt Karel ijverig. „Een leerling en een docent.” Hij duwt zijn bril op zijn voorhoofd.

Ik kijk geïmponeerd naar de papieren voor me. Twee gedetailleerde karakterbeschrijvingen en een synopsis. En dan zeg ik, voor ik er erg in heb, half in gedachten: „Kun je het niet gewoon vanuit jezelf schrijven?”

Martha schiet in de lach.

„Wat bedoel je?” vraagt Karel gealarmeerd.

Ik heb spijt van mijn woorden. We moeten uitgaan van wat er stáát, hou ik mijn leerlingen altijd voor. Niet van wat er níet staat. Maar nu kan ik niet meer terug. „Vorige week vertelde je zo’n mooi verhaal in de pauze. Over dat gereformeerde meisje dat verkracht is door de buurman. En dat ze dan met haar moeder naar de kerk moet om voor het zielenheil van die vent te bidden.”

Karel knikt. Hij werkt op een vmbo-school in het hoge noorden van het land.

„Kun je dat niet opschrijven?” vervolg ik. „Zonder gedoe, zonder kunstgrepen? Zonder literair te willen zijn?”

„Maar mijn nieuwe verhaal speelt zich ook op een school af!” zegt Karel en tikt met zijn middelvinger op zijn papieren. „Het staat allemaal in de synopsis!”

„Ach jongens, ik hou gewoon niet meer zo van verzinsels”, zucht ik. „Ja, wel die van jullie, hoor. Het is allemaal reuze knap wat jullie doen en ik volg het elke week met plezier.” Ik zwijg.

„Zeg het maar”, moedigt Martha me aan. Ze knijpt haar ogen geruststellend dicht en ziet er meer dan ooit uit als een vriendelijke, dikke poes.

„Literatuur lijkt me vaak zo’n omweg”, breng ik uit. Ik hoop dat dit de directie nooit ter ore komt. Misschien word ik wel ontslagen. Welke schrijflerares zegt nou dat ze niet van fictie houdt? Ik wend me tot Karel. „Je hebt het mooiste beroep van de wereld, je hebt ogen in je kop en je kunt schrijven – wat zou je nou ingewikkeld doen door weer van alles te gaan verzinnen? Geef het ons gewoon rauw van het dak.”

„Rauw van het dak?” zegt Martha geïnteresseerd. „Is dat een uitdrukking?”

„Ik kan niet autobiografisch schrijven”, zegt Karel bedrukt. „Ik heb het er al met mijn therapeut over gehad.”

„O, wat heerlijk allemaal!” roept Martha. „Ik wil het allemaal weten! Wat voor therapeut? Hoe ging dat? Kun je daar geen verhaal over schrijven?”

„Rauw schrijven – dat is ook een kunstvorm hoor”, zeg ik. „Dat vergt een hoop stilering. Doen alsof je het zonder nadenken op het papier hebt gesmeten, dat is het moeilijkste wat er is. Denk er maar rustig over na.”

„Straks doet hij nog een zelfmoordpoging”, zegt Martha gezellig. „O Nicolien, wat kun je dáár dan een mooi verhaal over schrijven.”

Want ook Martha heeft het ware schrijversbloed.