‘Pers Algerije mikpunt van 37 wetsartikelen’

Over terrorisme kan in Algerije vrijuit worden geschreven. Maar van openheid is geen sprake. Vooral de zakenwereld schermt zich af.

In Algerije wordt de persvrijheid bedreigd via een strikt staatsmonopolie op radio- en tv-uitzendingen maar ook in toenemende mate door de zakenwereld. „Je praat hier sinds de herverkiezing van president Bouteflika in 2004 over terrorisme zoveel je maar wilt, maar het is beter je niet te bemoeien met de zaken van de eigenaars van Djezzi of grote concessiehouders, importeurs van personenauto’s bijvoorbeeld”, zegt de Algerijnse journaliste Salima Tlemçani. Djezzi is de belangrijkste Algerijnse mobiele telefoonmaatschappij.

Tlemçani werkt al jaren bij de Franstalige, onafhankelijke krant El-Watan. Sinds ze in 1994 met de dood werd bedreigd door moslimextremisten schrijft ze onder die naam, die dienst doet als een soort kogelvrij vest. Tlemçani kwam daarnaast ook ettelijke keren in aanvaring met de Algerijnse rechterlijke macht. Ze is het meest recentelijk aangeklaagd wegens smaad door de oud-gouverneur van Oran.

De Algerijnse bevolking wil graag verandering: minder corruptie en meer openheid. Maar die wens botst op gevestigde belangen en cliëntelistische en corrupte praktijken.

Vorige maand bekrachtigde het Hof van beroep in Algiers de veroordeling tot twee maanden gevangenisstraf van de journalisten Shawki Amari en Omar Belhouchet. Belhouchet is hoofdredacteur van El-Watan en een van de invloedrijkste journalisten in het land. De hun ten laste gelegde feiten, smaad en laster aan het adres van president Bouteflika en topofficieren van het Algerijnse leger, dateren uit 2006.

Na de staatsgreep van 1991 werden onder druk van het leger talrijke kranten verboden. Kritische publicaties kregen geen papier of inkt meer geleverd of konden niet langer terecht bij de door de staat gemonopoliseerde drukpersen. Honderden journalisten en hun werkgevers gingen soms voor jaren de gevangenis in.

Maar met de komst van Bouteflika en zijn politiek van nationale verzoening veranderde dat enigszins, aldus Tlemçani. „Er was minder geweld. En ook wij gingen opnieuw over tot de orde van de dag, met stukken over de corruptie, de schandalen... Maar ook nu bleef de reactie niet uit. Journalisten werden voor de rechter gebracht en de wetten verscherpt: we hebben niet minder dan 37 wetsartikelen om de pers aan te pakken en er is geen wettelijk kader dat journalisten en uitgevers beschermt. Je kunt hier vijf jaar gevangenisstraf krijgen voor een persdelict.”

De meeste kranten zijn bovendien nog steeds afhankelijk van de drukpersen van de staat, waardoor ze gevoelig zijn voor manipulatie. Alleen de allergrootste hebben hun eigen drukkerijen. Bovendien komen bij deze kranten de advertenties niet langer van de staatsbedrijven.

Volgens Algerijnse waarnemers zijn amper vijf van de 40 dag- en weekbladtitels echt autonoom, onder andere El-Watan, Liberté en Le Soir, evenals de populairste Arabischtalige krant El-Khabar. Maar zelfs een vrij grote krant als Al-Shorouk heeft het financieel erg moeilijk, omdat hij te sterk afhangt van de advertentiemarkt. De toekenning van advertenties wordt vooral beheerd door de overheid, die nog altijd de grootste speler is in de Algerijnse economie. Veel kranten zijn financieel zo zwak dat ze voor hun dagelijkse voortbestaan volkomen afhangen van de inkomsten uit advertenties.

„Enkele grote adverteerders, met connecties met het regime en het leger, plaatsen systematisch paginagrote advertenties in nieuwe kwetsbare kranten”, aldus Tlemçani. „Ze zijn daarmee eigenlijk de facto eigenaar en bepalen ook de redactionele lijn. Een substantieel deel van de vrije media wordt op die manier gereduceerd tot tandeloze pulpbladen.”

Algerije is potentieel erg rijk door zijn enorme olie- en gasreserves en de inkomsten uit de export. Maar onder andere ten gevolge van de burgeroorlog van de jaren ’90 is de staat erg zwak. Daardoor blijft iedere democratiseringspoging precair ondanks al westerse militaire hulp en buitenlandse investeringen.

De politieke machthebbers zelf willen naar eigen zeggen drastische hervormingen doorvoeren. Maar president Bouteflika en de clans om hem heen zijn vooral beducht voor autonome actie, voor alternatieve machtscentra, en voor nieuwe oncontroleerbare spreekbuizen voor een mondiger wordende middenklasse.

„Er is nooit een taboe geweest op het berichten over terreuraanslagen, de moslimextremisten en gewapende verzetsgroepen”, zegt Tlemçani. „Maar de generaals zelf waren wel taboe. Over wat er in de jaren ’90 allemaal achter de schermen gebeurde, en hoe sommigen in de hoogste kringen een vuile rol speelden, daar kon je niet over schrijven.”

„Bovendien was een groot deel van de pers toen principieel voorstander van de ‘nul-oplossing’, van uitroeiing van het radicale moslimgeweld. Een begrijpelijke reflex aangezien de pers – en vooral de Franstalige media – al sinds eind jaren ’80 mikpunt was van de extremisten en talrijke journalisten werden vermoord.”

„We zaten tussen twee vuren. Gelukkig is die tijd nu voorbij. Politieke moorden lijken tot het verleden te behoren”, aldus Tlemçani.

„Maar dat betekent niet dat alles perfect draait en wij hier echte vrijheid van meningsuiting kennen. Een paar nieuwe rijken gebruiken alle middelen. Als dergelijke figuren vijf of zes paginagrote advertenties plaatsen, weet je dat er grenzen zijn aan de vrijheid van de redacties. Sommige kranten zijn gecreëerd om te parasiteren: ze betalen geen drukkosten en hebben een gering kapitaal en een kleine oplage. Dat ze toch blijven bestaan valt alleen te verklaren door het feit dat ze worden gestuurd door maffioze milieus met connecties in de top van het leger en het establishment.”

Het gevolg is voorspelbaar, zegt ze: geen letter kritiek, laat staan enige onthulling over misstanden, en vooral niets over de financiers. Het gaat daarbij om de rijkste industriëlen. Een voorbeeld was de zakenman Rafik al-Khalifa. Diens bank en media-imperium is inmiddels ten onder gegaan in een groot schandaal en zelf is hij naar het buitenland gevlucht. Khalifa werd vorig jaar bij verstek tot een levenslange gevangenisstraf veroordeeld. In die zaak werden de broers Abdelwahab en Abdennour Keramaneh, respectievelijk ex-gouverneur van de Algerijnse Centrale Bank en ex-minister van Energie, tot 20 en 10 jaar gevangenis veroordeeld. Abdennour Keramaneh zit nu in Frankrijk, waar hij asiel heeft gevraagd.