Joris over de kritiek op Joris

In de berichtgeving over Afghanistan zie je weer alle vervormingen waar Joris Luyendijk voor waarschuwde. Hebben we dan niks geleerd?

Hieronder fragmenten uit het hoofdstuk dat hij schreef.

Naar mijn indruk worstelen alle journalisten bij de garing en weergave van informatie met een zestal dilemma’s. Er blijven allereerst heel veel onderwerpen buiten beeld, omdat die geen nieuws zijn of omdat je niet bij de informatie kunt. Wat wel in beeld komt, is vaak anders dan het lijkt, omdat de politiek of de cultuur in het land waarover je bericht heel anders in elkaar zit dan hier. Berichtgeving is ook vaak gemanipuleerd omdat strijdende partijen de kwetsbaarheden van de nieuwsindustrie weten uit te buiten. Berichtgeving is partijdig omdat sommige partijen beter manipuleren dan andere, omdat bij conflicten neutrale termen vaak niet bestaan, en omdat je in de keuze voor onderwerp en invalshoek altijd moet kiezen. Ten slotte is berichtgeving versimpeld omdat de ruimte in de krant of een uitzending altijd beperkt is, omdat je geen of weinig achtergrondkennis bij je publiek kunt veronderstellen en omdat het publiek in meerderheid liever zelfverheerlijkend dan zelfkritisch nieuws tot zich neemt.

Dit zijn de mechanismen waar ik tegenaan liep tijdens vijf jaar correspondentschap, en naar goed poldergebruik hoopte ik deze met mijn boek Het zijn net mensen ‘bespreekbaar’ te maken. Maar dat het boek zo’n golf van reacties zou losmaken, bij gewone lezers, hoofdredacteuren, collega’s en columnisten, dat had ik nooit durven hopen.

Wat is er nu concreet gebeurd naar aanleiding van mijn kritiek? Moeilijk te zeggen. Ik heb nooit dieper willen bijten dan mij effectief leek. Mijn inschatting was dat juist de mensen die ik bekritiseerde de veranderingen zouden moeten inzetten. Polarisatie zou dan contraproductief werken: de bekritiseerden worden beledigd en graven zich in. De criticus vestigt intussen de aandacht op zichzelf, in plaats van op de kwestie.

Wat me heeft verbijsterd is dat geen enkel Nederlands medium een vaste correspondent in Kabul heeft gezet – met uitzondering van de Volkskrant met ingang van 2008. Bijna alle filters, vervormingen, manipulaties, partijdigheid en versimpelingen die in Het zijn net mensen de revue passeren, zag je terug in de berichtgeving over Uruzgan, zeker het eerste jaar. Ondanks geweldig werk van mensen als Arnold Karskens, Antoinette de Jong, Joeri Boom en Harm Ede Botje domineerde het ministerie van Defensie de nieuwsstroom, in onderwerpkeuze (Afghaanse burgerdoden door NAVO-bombardementen zijn geen groot nieuws), invalshoek (dit is een opbouwmissie) en woordgebruik (‘uitschakelen’, ‘operatie’, ‘vijandelijke strijders’).

Hoor en wederhoor in klassieke zin lukte niet want de Talibaan hebben geen woordvoerders op afroep, terwijl bij gebrek aan correspondenten in Kabul daar evenmin direct een tegengeluid vandaan kon komen. Het was de nasleep van 11 september en de aanloop naar de Irakoorlog all over again en de oorzaak was volgens mij helder. De Nederlandse media beperkten zich veel te vaak tot de informatie van officiële instanties: Defensie, NAVO en misschien de regering- Karzai. In een democratie mag dit de gangbare journalistieke methode zijn, in een gebied als Afghanistan is het eenrecept voor tunnelvisie.

Hoe ontwikkelden de strategie en tactiek van de Talibaan zich, wat was het verband tussen de gekozen militaire middelen door Nederland (van veilige hoogte bombarderen) en het aantal burgerdoden op de grond? Waarom zou een inwoner van Uruzgan met Nederland in zee gaan als we over een paar jaar weer weg zijn en hij is overgeleverd aan de Talibaan? Hoe zien Afghanen onze ‘aanwezigheid’ en waarom gaat iemand bij de Talibaan? Misschien heb ik het gemist, maar naar mijn idee werden deze vragen veel te weinig uitgediept, en ontstond zo opnieuw een sterk vertekend beeld.

Mede op basis van dat beeld nemen landgenoten dienst in het Nederlandse leger, waar ze doden en sterven in een oorlog die ter plekke anders blijkt dan voorgespiegeld. De rillingen liepen me over de rug toen ik de militaire vakbond bijna hoorde smeken om het debat en beleid toch te baseren op de situatie zoals die in Uruzgan is, in plaats van op hoe Den Haag zegt dat de situatie is. Wie garandeert ons dat zich in Uruzgan niet een nieuw Srebrenica voltrekt of al heeft voltrokken? Er zijn 30.000 Nederlanders met wortels in Afghanistan en sommige van hen moeten familie hebben in Uruzgan. Met inzet van nieuwe en onorthodoxe journalistieke methodes hadden deze Afghaanse Nederlanders een schat aan informatie en inzichten naar boven kunnen brengen, en een fantastisch tegenwicht kunnen bieden aan de nieuwsstroom van Defensie en het kabinet. Maar dan moet je als hoofdredactie eerst onderkennen dat in Afghanistan de journalistieke methodes van het Binnenhof niet toereikend zijn.

Nieuws is wat afwijkt van het alledaagse, maar wat als je door globalisering, immigratie en technologische veranderingen het alledaagse eigenlijk niet meer kent of snapt? Moet journalistiek niet nog veel pakkender gaan uitleggen in wat voor wereld we leven, in plaats van zich primair te richten op wat er anders of nieuw is ten opzichte van gisteren of vorig jaar?

Meer en meer ben ik ervan overtuigd geraakt dat de nieuwsindustrie in ieder geval nog voor een deel in de twintigste eeuw leeft. Dit is de tijd van globalisering maar correspondentschappen zijn nog steeds nationaal georganiseerd; onze man in Parijs, Berlijn, Moskou. Misschien moeten er ook correspondenten ‘klimaatverandering’ komen, correspondenten ‘migratie’ en ‘Europese verkiezingen’ en ‘epidemieën’ en ‘water’ en ‘energie’. Dit is ook de tijd van internet, dus is het een idee om lezers via internet te consulteren in welk ‘vraagstuk’ zij willen dat een sterverslaggeefster het komende jaar haar tanden zet? Dit is ook de tijd van de mondige burger, dus wat is er op tegen om vaker en diepgaander verantwoording af te leggen? Bijvoorbeeld een jaarlijkse terugblik over de accenten in de berichtgeving: waarom zoveel aandacht voor Israëlische mensenrechtenschendingen en zo weinig voor Russische, terwijl die zoveel groter zijn? En een overzicht van missers en verkeerde inschattingen zoals The Economist en een enkele Amerikaanse columnist doen? Nog altijd zijn nieuwspagina’s in de krant ingedeeld in nieuwsbericht, analyse en reportage. Kunnen we hier alles in kwijt?

Wat kwaliteitsjournalisten in de eenentwintigste eeuw te bieden hebben is niet informatie, want dankzij internet heeft iedereen informatie. Kwaliteitsjournalisten onderscheiden zich, zowel van hun publiek als van hun collega’s bij gratis kranten en onderbezette infotainmentprogramma’s, door hun vermogen informatie te doorgronden, te wegen, in een context te plaatsen. Het nieuwsmedium dat journalistieke methodes ontwikkelt om dat unique selling point te gelde te maken, wacht volgens mij een glorieuze toekomst. Want nog nooit in de geschiedenis was informatie zo waardevol als nu – het woord informatiesamenleving zegt het al.

Dat verbaast me misschien wel het meest. Waarom wij journalisten onszelf niet bevrijden van die impliciete beloftes waarvan we zelf weten dat ze nergens op slaan: wij overzien niet de hele wereld, we weten niet zeker wat er allemaal gebeurt, en wij kunnen niet objectief zijn. Is het niet veel logischer om onze onvermijdelijke beperkingen te omarmen? Juist in de uitleg waarom we onderwerpen kiezen, invalshoeken nemen, woorden gebruiken, vragen stellen en accenten leggen, kunnen we ons publiek van alles vertellen over de wereld. Waarom betrekken we ons publiek niet in onze twijfels, en nodigen we hen uit om mee te denken? Dan ben je ook meteen van die rare kramp af waarin we schieten als wij als het ook niet weten; de witte vlekken op de kaart.

Wat zou het interessant zijn als de creatiefste journalistieke geesten van het land gingen brainstormen over nieuwe journalistieke methodes! Kijk eens hoe de amusementsindustrie op televisie zich iedere paar jaar vernieuwt. Waarom kunnen wij dat niet? Ik ben ervan overtuigd dat er nieuwe methodes zullen komen, en als het zover is, zal iedereen zeggen: hoe deden we het ooit zonder?

Joris Luyendijk was van 1998 tot 2003 correspondent in het Midden-Oosten voor onder meer de Volkskrant, NRC Handelsblad en de NOS.