Geen revolutie, maar wel meer levensplezier

Mei ’68 was geen politieke omwenteling maar we moeten de betekenis ervan ook weer niet bagatelliseren.

Het heeft het juk van het conservatisme verbroken.

(Illustratie Ruben L. Oppenheimer) Oppenheimer, Ruben L.

Op het gevaar af dat ik mijn aanhangers en al degenen die in de ban waren van ‘de revolutie’ teleurstel: ik ben in 1968 niet de leider geweest van een revolutie. ‘68’ is voorbij, begraven onder de straatkeien, ook al zijn het straatkeien waarmee geschiedenis is geschreven en radicale veranderingen teweeg zijn gebracht. Ik was slechts de woordvoerder van een opstand. In dat opzicht betekende ‘68’ juist het einde van de mythe van de revolutie. Want de wereld van de jaren zestig – de eerste wereldwijde beweging die live te volgen was op radio en tv – werd gekenmerkt door een reeks onderling verbonden revoltes.

De veranderingen door ‘68’ betroffen vooral de traditionele cultuur, het kleingeestige moralisme en het principe van hiërarchisch gezag. Zij hadden impact op het sociale leven, op de manier waarop we werken, praten, liefhebben, en ga zo maar door. Studenten, arbeiders en gezinnen, allemaal hadden ze legitieme eisen, en wat hen bond was het verlangen naar emancipatie.

Deze revolte was een vorm van politiek, maar het doel was niet om de macht te grijpen. Drijvende kracht was het verlangen naar vrijheid, en daarin was geen ruimte voor een archaïsche manier van denken. Daarom kon de traditionele politiek geen greep krijgen op de gebeurtenissen.

Maar de anarchistische utopie van zelfbestuur, die wortelde in achterhaalde historische referenties, bleek volledig ongeschikt. We begonnen met een verwerping van de politieke instellingen en de parlementaire weg, maar pas later begrepen we dat de democratische uitdaging erin ligt om een ‘genormaliseerde’ politieke ruimte in te nemen.

Met de anarchisten en hun minimalistische politieke grammatica – zichtbaar in de beroemde slogan elections, peige à cons, verkiezingen, een valstrik voor idioten – en met een Communistische Partij wier revolutionaire ideaal gekoppeld was aan totalitaire samenlevingen, kon de toekomst van Mei ’68 alleen maar naar rechts gaan, met de verkiezingsoverwinning van generaal De Gaulle.

Dat was onmiskenbaar een politieke mislukking. Maar net zo onmiskenbaar was de enorme aardschok die de tot dan toe heersende opvattingen over samenleving, moraal en de staat deed wankelen. De revolte leidde tot een explosie in het hart van de typische Franse dubbele machtsstructuur, waarin het dominante gaullisme samenleefde met een Communistische Partij die de arbeidersklasse beheerde.

Eindelijk kwam er ruimte voor het plezier om te leven. Het was ook een tijd van een nieuwe politieke verbeelding, van poëtische motto’s op de muur. De surrealistische kern van de rebellie zit in de beroemde foto van Gilles Caron, waarop ik brutaal glimlach naar een agent van de oproerpolitie. Sommige mensen zijn nooit over het einde van die vijf weken van extatische waanzin en vreugde heen gekomen. Anderen wachten nog steeds tot ‘68’ uitmondt in een soort D-Day. Zelf heb ik het ‘principe van de werkelijkheid’ al lang geleden aanvaard, zonder nostalgie, en zonder te bagatelliseren wat er is gebeurd. ‘68’ was een rebellie op twee punten. Het heeft het juk van het conservatisme en de totalitaire manier van denken verbroken en zo ruimte gemaakt voor persoonlijk en collectieve autonomie en voor de vrijheid van persoonlijke expressie. In cultureel opzicht hebben we gewonnen.

We moeten ‘68’ beter begrijpen, de reikwijdte ervan inzien, en ervan behouden wat vandaag de dag nog zinvol is. Maar dat betekent niet dat we ieder protest van nu zomaar kunnen vergelijken met ‘68’. Na veertig jaar is de context radicaal veranderd. De Koude Oorlog is verleden tijd, net als scholen en fabrieken die als barakken zijn georganiseerd, autoritaire vakbonden, en de eis dat vrouwen toestemming van hun man hebben om te werken of een bankrekening te openen. We leven nu in een multilaterale wereld, met aids, werkloosheid, een energie- en klimaatcrisis. Laat nieuwe generaties de ruimte om hun eigen gevechten te kiezen. Als we ‘68’ demystificeren, ontmaskeren we ook de pretenties van degenen die ‘68’ verantwoordelijk houden voor alles wat er nu mis is. Omdat de generatie van ‘68’ op de muur schreef dat het verboden is te verbieden, is zij volgens sommigen verantwoordelijk voor het geweld in de steden, extreem individualisme, de problemen in het onderwijs, de topinkomens, en – waarom niet – klimaatverandering. Dat soort mensen hoopt zo hun verantwoordelijkheid te ontlopen. Maar hoe kan je dit niet zien als een politieke truc, bedoeld om een rationeel debat onmogelijk te maken?

Daniel Cohn-Bendit is lid van de Groene fractie in het Europees parlement. ©Project Syndicate