Film was in ’68 vooral anders

Met popmuziek benaderde film de geest van 1968 het dichtst. Het werd het jaar van de Nieuwe Cinema. Filmmakers verwierpen de ‘perfectie’ van Hollywood.

Kort na de hevige straatgevechten van mei 1968 moest regisseur Jean-Luc Godard Parijs verlaten. Hij had zich contractueel verplicht om in Londen een film te maken met de Rolling Stones. Dat was een symbolisch moment: een topontmoeting tussen de film en de popmuziek, de twee kunsten die de geest van de jaren zestig het dichtst wisten te benaderen.

Film was onderdeel van de hoop, ambitie en utopische dromen van de jaren zestig. In veel landen ontstond een Nieuwe Cinema: de Franse Nouvelle Vague voorop, gevolgd door de Junges deutsches Kino, Cinema Novo (Brazilië) en andere. Deze filmmakers zochten, met beperkte middelen en zonder veel technisch vernuft, naar nieuwe en authentieke verhalen. Ze keerden zich af van de ‘valse perfectie’ van Amerikaanse studioproducties, en van de brave en verantwoorde Europese ‘kwaliteitsfilm’.

In de film Sympathy for The Devil/ One plus One volgt Godard de Stones in de studio terwijl ze werkten aan het nummer. Hij doorsneed de opnamen met ‘revolutionaire’ beelden, in eindeloos lange takes. Hij toonde de radicale zwarte activisten van de Black Panthers die hun geweren in de lucht gooiden, en een blanke vrouw leken te verkrachten. Hij liet in een pornozaak communistische teksten voorlezen. De boodschap van de voice-over was radicaal: „De enige manier om een revolutionaire intellectueel te zijn, is te stoppen een intellectueel te zijn.”

Kort daarna besloot Godard op te houden als burgerlijk individu te bestaan, om films te gaan maken als onderdeel van een collectief, de Groupe Dziga Vertov. Hij onttrok zijn films aan het commerciële bioscoopcircuit. Voor het grootste deel van zijn publiek verdween hij uit beeld. Hij zou nooit meer de dominante culturele positie krijgen die hij in de jaren zestig had. Toen werd het niet idioot gevonden om hem de grootste kunstenaar van de eeuw te noemen.

Vervolg Mei '68: pagina 11

Het jaar dat Cannes wankelde

Film in het algemeen, en ook de figuur van de regisseur genoten veel prestige in de jaren zestig. Film was dé kunst van de moderne tijd.

Films die in aanmerking komen voor de titel ‘ultieme jaren zestig-film’: If.... (1968) van Lindsay Anderson, een woedende en gewelddadige aanval op het Britse klassenstelsel in de vorm van een dure kostschool; Teorema van Pier Paolo Pasolini, waarin een mysterieus wezen (Terence Stamp) met alle leden van een bourgeoisgezin naar bed gaat; of Blow-Up (1966) en Zabriskie Point (1970) van Michelangelo Antonioni, die zich afspeelden in respectievelijk het ultrahippe Londen en het milieu van de Californische tegencultuur.

De opstand kreeg een voorspel in februari van dat jaar, toen studenten en regisseurs, waaronder Godard en François Truffaut, de straat opgingen om te protesteren tegen het ontslag van Henri Langlois. Hij was de legendarische directeur van de Cinémathèque Française. De gaullistische minister van Cultuur André Malraux, had Langlois, een even groot filmkenner als een desastreus bestuurder, de wacht aangezegd. Toen er opstand uitbrak, moest hij dat besluit terugdraaien. Volgens Truffaut waren de protesten de ‘trailer’ geweest voor de opstand van mei.

Toen het eenmaal zover was, zat de Franse filmwereld op het festival van Cannes. Op 18 mei belegde Truffaut daar, vergezeld van Godard en Louis Malle, een persconferentie. Uit solidariteit met de stakende studenten en arbeiders mocht het festival niet doorgaan. Verhitte discussies volgden. De voor het communistische regime gevluchte, Poolse emigré Roman Polanski, beet Godard toe: „Alles wat je zegt doet me enorm denken aan Polen onder het stalinisme.” Uiteindelijk stond het ganse raderwerk stil, van premières en rode lopers, avondjurken en smokings.

Veel zakenmensen in Cannes vlogen door naar Rome en gingen daar verder met het sluiten van hun deals. Op de komende editie, die volgende week begint, zal het festival een aantal films laten zien, die veertig jaar geleden jammerlijk ten onder gingen in het rumoer. Ook viert de Quinzaine des Réalisateurs haar 40-jarig bestaan. De Quinzaine is het schaduwfestival in Cannes, waarop de filmmakers zelf de lakens uitdelen.

Maar mei ’68 is ook te beschouwen als het tegendeel van een filmische gebeurtenis – in ieder geval in de ogen van een deel van de rebellerende jeugd zelf. Tijdens de revolutie ga je niet in een bioscoopstoel zitten, dan moet je iets doen. Een belangrijk theoreticus van die tijd, die zelf ook op de barricaden stond, was Guy Debord (1931-1994). Hij was een schrijver, filmer en oprichter van de Internationale Situationisten, een invloedrijke avant-gardegroep. Veel van de legendarische graffiti van 1968 („Leef zonder dode tijd”) was afkomstig uit hun koker.

Debord is ook de auteur van De spektakelmaatschappij (1967), een sleuteltekst voor het protest van de jaren zestig. Hij constateert daarin dat moderne samenlevingen zich kenmerken door „de opeenhoping van spektakels. Al wat direct werd geleefd, heeft zich in een voorstelling verwijderd”. De consumptiemaatschappij reduceert de mens tot toeschouwer.

In mei 1968 deed zich, volgens Debord, eindelijk een ‘situatie’ voor, die de spektakelmaatschappij deed wankelen. Dat was niet alleen een politiek moment, maar ook een feest, een festival. In die zin speelden Debord en anderen inderdaad de revolutie.

De cinema is uiteraard bij uitstek de plek waar het spektakel heerst, tenminste onder de verfoeide kapitalistische verhoudingen. Toch maakte Debord ook woeste, anarchistische films, die op dvd zijn verschenen onder de veelzeggende titel Contre le cinéma. De revolte van 1968 was óók een hoogtepunt van de anti-cinema. Het drama speelde zich af op straat, niet op een scherm. Waar de verbeelding aan de macht komt, zijn de beelden overbodig.