Ferdi’s aaibare schedes in de schemering

Expositie Ferdi – Hortisculpturen, t/m 1 juni, Museum Het Valkhof, Nijmegen. Inl.: tel: 024-3608805 www.museumhetvalkhof.nl

Haar tentoonstelling begint met een kunstwerk van haar man. Het zal het lot blijven van Ferdi (1927-1969), in de schaduw te staan van beeldhouwer Shinkichi Tajiri. Met een ultrakort oeuvre door een vroege dood is dat moeilijk te veranderen, maar Museum het Valkhof doet een goede poging. Tot juni staat daar de tentoonstelling Ferdi – Hortisculpturen. Te zien zijn tekeningen, sieraden en vooral haar manshoge pluche objecten – een feest van kleur, extravagantie en vrouwelijkheid.

Vrouwelijke kunstenaars uit de jaren zestig hadden nogal eens de neiging alleen hun voornaam te gebruiken. Dat lijkt anti-emancipatoir maar is het niet: juist als een vrouw zich onderdanig voordoet, komt haar aanval harder aan. In een wereld waar vrouwelijke creativiteit synoniem was voor brei- en borduurwerk, kozen vrouwelijke kunstenaars expres voor de clichés van textiel. Ferdi naaide bloemen van kunstbont en zijde. Hoe tuttiger, hoe beter.

Ferdi’s hortisculpturen zijn aaibaar maar niet onschuldig. Mellow Yellow High is een stronk met een roze gat waar lobbige slierten omheen hangen, Mother’s Invention – half-mens, half-bloem – is een monsterlijke oermoeder die haar schoot aanbiedt. De roze holtes lijken vagina’s, de zijden meeldraden slappe fallussen. En eigenlijk is pluche ook niet heel snoezig meer als het dreigend in oorlogskleuren boven je uittorent.

Ferdi wilde haar atelier laten dichtgroeien tot een zachte wereld waar je kon staan, liggen, vallen. Maar een museum is geen atelier. Bruikleengevers houden er niet van als je op museumstukken gaat liggen. In het Valkhof staan de hortisculpturen op podia, ver van jeugdige grijphandjes, en in gedimd licht. Want pluche wordt niet voor de eeuwigheid gefabriceerd, zo blijkt. Het wordt vaal en bruinig. Tragisch dat juist Ferdi’s zonminnende bloemen hun dagen in het donker moeten slijten.

Veel kunst was in de jaren zestig groot, stoer en macho. Toch ademt ook Ferdi’s aaibare werk de geest van die tijd, toen kunst van zijn sokkel kwam om het gewone leven te bezingen. Waar Amerikaanse Pop Art een ode was aan de nieuwe consumptiemaatschappij, kozen Europese kunstenaars meerdere aspecten uit het alledaagse. Ferdi’s flowerpowersculpturen waren geïnspireerd op natuur, marihuana, folklore, seksualiteit, en op werk van collegakunstenaars. In oranje pluche kopieerde ze één van de geknoopte staalsculpturen van haar man, en plaatste het op een gigantisch borduurraam met dito naald in bloemetjesprint. Een grapje, dat de zwaarwichtigheid van formele kunst relativeert als dikdoenerij.

Ferdi studeerde een paar jaar in Parijs, trok rond in Amerika en Mexico – je herkent Azteekse zonnesymbolen in haar bloemen – en streek toen neer in een kasteeltje in Baarlo. Nog steeds herinneren veel Limburgers zich dat vreemde kunstenaarsstel, met die vrouw die ineens in bad verdronk. Baarlo zelf lijkt een openluchtmuseum voor Shinkichi, met zijn staalsculpturen op rotondes en straathoeken. Herinneringen aan Ferdi draagt het straatbeeld niet. Dat is het nadeel van textiel.

En dat is niet het enige nadeel. Mede door zijn fysieke kwetsbaarheid kwam textielkunst uit de jaren zestig in depots terecht. Maar de laatste jaren herleeft textiel onder kunstenaars, omdat het een goed medium is om fricties tussen lievigheid en duisternis te verbeelden. Door die opleving hoor je, heel mondjesmaat, weer eens wat over mensen zoals Ferdi. Aan voorlopers zoals zij is het te danken dat textiel het schopte van huisvlijt tot serieuze kunst – kunstacademies doceerden dit niet. De kunstgeschiedenis alleen al is een reden om de tentoonstelling in Nijmegen te bezoeken. Maar dat niet alleen. Door het verschoten pluche heen zie je nog steeds Ferdi’s lustwarande schitteren.