De roeimachine

‘Na een uitzonderlijk moedig gedragen ziekte heeft mijn lieve man vandaag gekozen voor een waardig einde”, liet Lousje Voskuil-Haspers ons deze week in een overlijdensadvertentie weten.

Aan duidelijkheid heeft zij nooit veel te wensen overgelaten.

Lousje Voskuil-Haspers speelt onder de voornaam Nicolien een centrale rol in de boeken van haar man J.J. (‘Han’) Voskuil, Maarten Koning in Bij nader inzien en Het Bureau. Zij fungeert als een nooit helemaal te overwinnen tegenkracht, die hem herinnert aan vroegere voornemens en beloften en die hem probeert te behoeden voor het verraad aan haar en hun relatie, maar vooral ook aan zichzelf.

Zonder Lousje/Nicolien zouden de boeken van Voskuil een bepaalde dimensie hebben gemist – een tot bezinning dwingende afstand tot het afgesloten leven op Het Bureau. Wij zouden bovendien ‘de moeder van Nicolien’ hebben gemist, aan wier dementie Voskuil de aangrijpendste passages van zijn werk heeft gewijd.

De vele scènes met Nicolien hebben ook bijna altijd een humoristische werking, iets wat Voskuil volgens mij bewuster nastreefde dan hij later in interviews liet blijken. Een van de hoogtepunten is de dialoog over ‘de roeimachine’ uit Vuile handen, deel 2 van Het Bureau. Maarten komt thuis met een fitnessapparaat, een soort roeimachine. Er breekt een twee pagina’s durende helse ruzie uit over de wenselijkheid van zo’n apparaat. Het eindigt als volgt.

„Dus je brengt hem niet terug?”

„Nee”, zei hij beslist, „ik breng hem niet terug.”

„Dat ik zo’n man getrouwd heb!” zei ze huilend terwijl ze terugliep naar de kamer. „Dat ik met zo’n patser ben getrouwd! Die een roeimachine koopt omdat hij ochtendgymnastiek niet goed genoeg vindt!”

Hij volgde haar de kamer weer in, liep door naar de keuken en haalde de jenever uit het turfhok. „Wil je een borrel?”

„Nee!” zei ze kwaad. „Als jij die roeimachine niet terug wilt brengen dan wil ik geen borrel!”

„Dan neem ik alleen een borrel.” Hij haalde een glas uit de kast en ging op de divan zitten.

„Een roeimachine!” zei ze woedend.”

Er volgt overigens na het eten een expliciete verzoening („Ik was een beetje gek”, zegt Nicolien), iets wat niet altijd het geval is, als ik me goed herinner.

Wij lezers mogen om zulke passages graag lachen, maar in een openhartig interview door Liddie Austin in Opzij (september 1997) heeft Lousje later uitgelegd dat zij inderdaad uit pure woede handelde. Zij had een armoedige jeugd in Scheveningen gehad, haar vader, een bouwkundig tekenaar, was in de crisisjaren werkloos geworden. Op school voelde ze zich niet op haar gemak tussen de rijke kinderen.

Later, toen haar man goed ging verdienen, keerde dat gevoel terug. „Maar ik vond het niet prettig om zo hoog in de maatschappij terecht te komen. Daar voelde ik me niet op mijn plaats. Mijn man ook niet, daar waren we het altijd over eens geweest. Dat is waar Nicolien hem altijd op wijst in Het Bureau. Voor hem speelt zij net als in Bij nader inzien de rol van zijn geweten. En hij vindt dat geen vervelende rol. Als dat wel zo was geweest, had hij wel de benen genomen.”

Zij hadden niet zozeer een huwelijk alswel een verbond tegen een hen bedreigende wereld gesloten.