De Afrika-correspondent over Joris Luyendijks ongelijk

Ondanks alle beperkingen ontcijferen correspondenten een andere wereld voor ons. Dus hebben we ze hard nodig, betoogt Bram Vermeulen.

Hieronder fragmenten uit het hoofdstuk dat hij schreef.

De aankomst in Bunia, Oost-Congo. Een Russische Antonov landt op het enige stukje asfalt in de wijde omtrek. Een witte container met VN erop geschilderd doet dienst als grenspost in een land waar eigenlijk geen grenzen bestaan. Buiten wacht de taxicentrale: jongens op een brommer die de rugzak op de ene en jou, de juist aangekomen correspondent, op de andere ‘moto’ zetten. Ze rijden langs een kamp waar tienduizenden vluchtelingen al jaren bivakkeren. Ze rijden langs wachtposten gemaakt van zandzakken, en prikkeldraad, met daarachter soldaten met blauwe helmen uit Nepal, India of Uruguay.

En dan stoppen ze voor de stalen poort van een pastorie. En loopt de poortwachter naar een terreinwagen met een open motorkap. Een oude gestalte heeft zich over de motor gebogen, en de poortwachter introduceert hem als pater Van de Ven. „Meneer Van de Ven, er is hier een Nederlandse journalist die u zou willen spreken.” En dan kijkt pastor Harry van de Ven, 72 jaar oud, zijn gezicht besmeurd met autovet, even op en zegt: „Zo, dus u bent journalist? U heeft een interessant beroep. Journalisten zie je hier komen en gaan. Ze zijn hier meestal een dag of vier. En dan schrijven ze vervolgens zulke verhalen.” Hij spreidt zijn armen alsof hij zojuist een dikke karper heeft gevangen. „In Oost-Congo zit het zus en zo, lees ik dan. En dan krab ik me weleens achter de oren. Want ik woon hier al veertig jaar en ik snap er nog altijd niets van.”

Moeten we er veertig jaar wonen om iets over Oost-Congo te mogen schrijven? Meneer Van de Ven zag buiten zijn pastorie een Congo dat ik onmogelijk kon zien. Iedere kuil in het hobbelige zandweggetje tussen zijn huis en het vliegveld had voor hem een verhaal. Over die weg zag hij de Belgen vertrekken, Lumumba komen, en toen Mobutu, papa Kabila, zoon Kabila. In 1964 ontsnapte Van de Ven ternauwernood aan een vuurpeloton, dat drie andere missionarissen doodschoot, maar door de munitie heen was toen hij aan de beurt was. Met mijn halfuur Congo-ervaring kon ik inderdaad onmogelijk uitleggen hoe het zit, tussen die tientallen milities die in dit gebied de dienst uitmaken, de sluimerende vetes, de onbegrijpelijke etnische politiek. Maar ik kon wel met pastor Van de Ven op stap.

NRC Handelsblad opende twee dagen later (26 april 2005) met deze alinea’s:

Hoe God terugkeerde in Sedzabo

Door onze correspondent Bram Vermeulen

Sedzabo, 26 april

Een Nederlandse pastor keert na drie jaar terug naar het verwoeste dorp Sedzabo in Oost-Congo. ‘Alleen vragen heb ik, geen antwoorden.’

Het pad naar Sedzabo bestaat niet. Een paar honderd meter na de afslag staat het olifantsgras metershoog, dik als volwassen vingers. Hier is al maanden geen voertuig meer geweest. „Laten we deze weg de Boulevard 24 Avril noemen”, zegt pastor Harry van de Ven (72) als zijn terreinwagen er stapvoets overheen bonkt. Genoemd naar de zondag waarop hij durft terug te keren naar het dorp dat zijn katholieke missie drie jaar geleden moest ontvluchten, samen met de rest van de bevolking.

Van de Ven, geboren Brabander en sinds 1961 in Oost-Congo, weet niet wat hij kan verwachten in Sedzabo. Sinds 2002 zijn de berichten uit dit gebied verstomd. Hulporganisaties durven hier niet te komen. De vredesmacht van de Verenigde Naties in Congo (MONUC) vooralsnog ook niet. Het oerwoud is hier te dicht en te verraderlijk voor zware pantserwagens.

De blik van de missionaris verstart als hij langs de berm van de weg plotseling twee donkere gestalten ontwaart. Kleine jongens met grote machinegeweren. Eén mist zijn linkeroog. Met het andere staart hij de predikant roerloos aan. „Milities”, sist de pastor. Hij laat zich een goddeloze vloek ontvallen. Machinegeweren boezemen hem al lang geen angst meer in. In 1964 ontsnapte hij ternauwernood aan een executie die drie andere missionarissen het leven kostte. Voor kinderen die de wapens bedienen is hij het meest beducht.

Als de auto Sedzabo binnenrijdt, blijkt zijn bezorgdheid terecht. De hutten die hier ooit rond de felgroene heuvelrug lagen zijn niet alleen platgebrand, ze zijn verdwenen, onder het gras en het gebladerte. De school is spoorloos, net als het winkeltje voor kleine waar. De kerk, steen voor steen gefinancierd door de missie, is een ruïne zonder dak. Zo’n honderd parochianen die zich voor de ingang hebben verzameld, meest vrouwen en kinderen, kijken de pastor verontschuldigend aan. Hij huilt.

Het verslag over de kerkdienst die Van de Ven hield in de volledig vernielde kerk in Sedzabo was geen halfje wit op de loopband van de broodfabriek van Joris Luyendijk. Correspondenten staan niet altijd achteraan die loopband en doen niet altijd alsof ze het brood hebben gebakken waar ze in feite alleen de verpakking om hebben gedaan, zoals Luyendijk schrijft. Soms doen ze ook gewoon verslag van een gebeurtenis die ontroert, meesleept en verbaast. Daar hebben ze geen cijfers voor nodig die gestaafd zijn door wetenschappelijke bureaus, geen statistieken en geen opiniepeilingen en ook geen betrouwbare kranten. Er verschijnen in Oost-Congo niet eens kranten.

Op pad in die vreemde landen spelen we voor tolk/vertaler. We bouwen bruggen tussen daar en hier. En we leggen uit. Waarom doen die mensen zo raar? Waarom zeggen ze wat ze zeggen? En als we dat niet kunnen, dan zoeken we naar andere vertalers, naar andere bruggenbouwers, naar pastor Van de Ven.

Er is toch niks mooiers dan de onzekerheid van onwetendheid, puzzels oplossen met beperkte mogelijkheden? Een buitenlandcorrespondent hoeft niet te veinzen dat hij wetenschapper is. Hij grossiert niet in cijfers, onderzoeken, kansvariabelen of betrouwbaarheidsintervallen. Hij zegt niet: de waarheid in dit verhaal heeft een kansdichtheid van zoveel procent. Dat wordt ook niet van hem verwacht. Hij verzamelt in de eerste plaats beelden, meningen en waar hij kan: feiten. In Afrika zijn die feiten net zo moeilijk te staven als in het Midden-Oosten. De meeste media hebben één correspondent voor de 53 landen van dit continent. Sommige hebben er niet één. Ons wordt gevraagd te berichten over plekken waar we niet zijn, te praten over mensen die we niet gesproken hebben. We worden opgejaagd door persbureaus en internationale televisienetwerken. Een collega moest eens verslag doen van Darfur, Oost-Congo en Zimbabwe in hetzelfde Radio 1-uur. Dat zijn slechte dagen, voor het vak en voor de waarheid.

We kunnen de antwoorden op de vragen die ons als buitenlandcorrespondenten gesteld worden niet weten, schrijft Luyendijk. We hebben de middelen niet om te staven of de mening van de een representatief is voor het hele land. We kunnen het niet weten. Maar de beste journalistieke reportages werden geschreven in een tijd waarin die mogelijkheid ook in het Westen niet bestond. Denk aan Charles Dickens’ reportages over de armoede in de achttiende eeuw in Groot-Brittannië. Mark Twain. John Steinbeck. Onwetendheid was niet hun makke, maar hun drijfveer.

Ryszard Kapuscinski, de Poolse wereldreiziger en journalist die in 2006 overleed, betoogt dat de nieuwe media een gevaar zijn voor het geweten. Ze maken ons vertrouwd met lijden, met misdaad en massamoord. „Door van het geweld een toneelstuk te maken, beroven ze ons grondig van een context van dreiging, verschrikking, schuld. Ze sussen het geweten in slaap.”

Hier doceert de Pool de belangrijkste verantwoordelijkheid van de media. Ze moeten het publiek laten voelen wat hun onderwerp dag in dag uit doorstaat. Dat kán, zonder de woordvoerders van regeringen aan het woord te hoeven laten, zonder de mensenrechtenactivisten en zonder persvrijheid. Dat kan door stil te staan. Dat kan door op je hurken te zakken en het onderwerp recht in de ogen te kijken. NRC-redacteur Dick Wittenberg deed het. Hij bracht een maand door in een dorp van veertig gezinnen groot in Malawi, om het gezicht van armoede te beschrijven. „Niet een beetje, maar heel precies”, zoals hij zelf schreef.

De buitenlandjournalistiek valt alleen te redden als we ‘vertragen’, zoals de Vlaamse schrijver Lieve Joris het zo mooi zei tijdens een debat over het boek van Luyendijk. Stilstaan, ademhalen, kijken, ruiken, proeven. De buitenlandcorrespondent laat zich drijven door de nieuwsgierigheid voor die nieuwe en onbekende wereld, niet door de haast van de redactie. Buitenlandcorrespondenten moeten durven de persbureaus te negeren. Als het inderdaad zo is dat de redactie het nieuws eerder weet dan de correspondent ter plekke, dan zou de redactie de nieuwsberichten moeten voorlezen. Het gebeurt al, op de redacties van het NOS Journaal en NRC Handelsblad. De correspondent is de man in het veld, niet de vertaler van drie telexen die hem door de redactie worden toegestuurd. Die redacties hebben behoefte aan eigenwijze berichtgeving, verhalen met een eigen smoel.

De verdienste van het boek van Joris Luyendijk is dat hij ongenadig twijfel zaait. Is alles wat we zien op televisie wel werkelijkheid, zijn de feiten wel de feiten? Hoe weten we eigenlijk wat we denken te weten? Hij voldeed aan een journalistieke plicht. Hij zette de wereld even op zijn kop.

Ik heb in zijn boek veel herkend en gegniffeld om vreemde routines, kuddegedrag, taalgebruik, percepties. Mijn bezwaar tegen het boek is niet zozeer tegen wat hij heeft geschreven, maar vooral tegen de stemming die na publicatie ontstond. „Nu geloof ik helemaal niets meer”, zeiden Bekende Nederlanders ineens. Er is een vreemde alliantie gesmeed tussen dit boek over buitenlandberichtgeving en mensen die dezer dagen weinig hebben met het buitenland, laat staan met journalistiek.

Buitenlandcorrespondenten proberen, met alle beperkingen die ze hebben, de poorten van Nederland nog op een kier te zetten in een tijd van grote zelfobsessie. De navelstaarderij valt samen met grote bezuinigingsoperaties. In de afgelopen vijf jaar zag ik de ene na de andere krant zijn correspondenten uit Afrika terugtrekken. Migratie, islamisering, terrorisme. Al die agendapunten in Den Haag vinden hier hun wortels. Maar who cares. Nederland heeft het al druk genoeg met zichzelf.

Deze terugtrekkende beweging heeft een nieuw fenomeen veroorzaakt. Omdat redacties niet langer bereid zijn geld vrij te maken voor dure reportagereizen, bieden hulporganisaties hun eigen ‘journalistieke’ werk aan. In het internetcafé in Goma zat ik tijdens de Congolese verkiezingen elke dag naast een medewerker van het Rode Kruis. Op dezelfde computers tikte hij zijn verslag van de dag. Daarna monteerde hij ook een radioreportage. De videobeelden van de dag bood hij aan in alle vormen die in de televisiewereld gangbaar zijn, digitaal of analoog, u vraagt, wij draaien. Redacties zijn er blij mee. Beelden van vluchtelingen zijn beelden van vluchtelingen. En hulporganisaties bedoelen het altijd goed. Dat ze af en toe de cijfers wat overdrijven om meer geld binnen te krijgen, soit. Beter iets dan niets. Toch?

Zonder correspondent is de beeldvorming van landen ver van ons vandaan uitsluitend nog in handen van hulporganisaties, regeringen en persbureaus. Zonder buitenlandcorrespondent zouden we zomaar geloven dat verkiezingen in Afrika het begin zijn van democratie. Zonder buitenlandcorrespondent denken we dat iedereen in Zimbabwe op sterven ligt. Zonder buitenlandcorrespondent zamelen we geld in voor Afrikaanse drama’s die we niet begrijpen.

Onze man in Verwegistan verdient, juist nu, zijn voortbestaan, zolang redacties accepteren dat buitenlandcorrespondenten niet met persbureaus kunnen concurreren en dat ze op pad moeten, om stil te kunnen staan, om die andere wereld te kunnen ontcijferen. Correspondenten doen dat met alle beperkingen en tekortkomingen. Het zijn, tenslotte, net mensen.

Bram Vermeulen is sinds 2001 correspondent Zuidelijk Afrika voor NRC Handelsblad, het NOS Journaal en, sinds 2006, ook voor nrc.next.