Correspondent blijft hoe dan ook onmisbaar

Vandaag verschijnt de bundel ‘Het maakbare nieuws’, een antwoord op ‘Het zijn net mensen’ van Joris Luyendijk. Hieronder de bekorte tekst van

Bram Vermeulen

(Tekening Cyprian Koscielniak) Koscielniak, Cyprian

In 2005 bezocht ik met pastor Harry van der Ven het vernielde dorpje Sedzabo in Oost-Congo. Van de Ven, geboren Brabander en sinds 1961 in Oost-Congo, wist niet wat hij kon verwachten in het dorpje dat hij vroeger goed gekend had. Het was een verschrikkelijke tocht over een verdwenen weg, langs kindsoldaten met mitrailleurs, naar een dorpje waarvan de hutten waren platgebrand. Het kerkje, met missiegelden betaald, was een ruïne geworden. Honderd parochianen keken de pastor verontschuldigend aan.

Het verslag over de kerkdienst die Van de Ven hield was geen halfje wit op de lopende band van de broodfabriek van Joris Luyendijk. Correspondenten staan niet altijd achteraan die band en doen niet altijd alsof ze het brood hebben gebakken waar ze in feite alleen de verpakking om hebben gedaan, zoals Luyendijk schrijft. Soms doen ze ook gewoon verslag van een gebeurtenis die ontroert, meesleept en verbaast.

Op pad in die vreemde landen spelen we voor tolk/vertaler. We bouwen bruggen tussen daar en hier. En we leggen uit. En als we dat niet kunnen, dan zoeken we naar andere vertalers, naar andere bruggenbouwers, naar pastor Van de Ven.

Een buitenlandcorrespondent hoeft niet te veinzen dat hij wetenschapper is. Hij verzamelt in de eerste plaats beelden, meningen en waar hij kan: feiten. In Afrika zijn die feiten net zo moeilijk te staven als in het Midden-Oosten. De meeste media hebben één correspondent voor de 53 landen van dit continent. Sommige hebben er niet één. Ons wordt gevraagd te berichten over plekken waar we niet zijn, te praten over mensen die we niet gesproken hebben.

We kunnen de antwoorden op de vragen die ons als buitenlandcorrespondenten gesteld worden niet weten, schrijft Luyendijk. We hebben de middelen niet om te staven of de mening van de een representatief is voor het hele land.

Ryszard Kapuscinski, de Poolse wereldreiziger en journalist die in 2006 overleed, betoogt dat de nieuwe media een gevaar zijn voor het geweten. Ze maken ons vertrouwd met lijden, met misdaad en massamoord. „Door van het geweld een toneelstuk te maken, beroven ze ons grondig van een context van dreiging, verschrikking, schuld. Ze sussen het geweten in slaap.”

Hier doceert de Pool de belangrijkste verantwoordelijkheid van de media. Ze moeten het publiek laten voelen wat hun onderwerp dag in dag uit doorstaat. Dat kán, zonder de woordvoerders van regeringen aan het woord te hoeven laten, zonder de mensenrechtenactivisten en zonder persvrijheid. Dat kan door stil te staan. Dat kan door op je hurken te zakken en het onderwerp recht in de ogen te kijken. NRC-redacteur Dick Wittenberg deed het. Hij bracht een maand door in een dorp van veertig gezinnen groot in Malawi, om het gezicht van armoede te beschrijven. „Niet een beetje, maar heel precies”, zoals hij zelf schreef.

De buitenlandjournalistiek valt alleen te redden als we ‘vertragen’, zoals de Vlaamse schrijfster Lieve Joris het zo mooi zei tijdens een debat over het boek van Luyendijk. Stilstaan, ademhalen, kijken, ruiken, proeven. Buitenlandcorrespondenten moeten durven de persbureaus te negeren. Als het inderdaad zo is dat de redactie het nieuws eerder weet dan de correspondent ter plekke, dan zou de redactie de nieuwsberichten moeten voorlezen. Het gebeurt al, op de redacties van het NOS Journaal en NRC Handelsblad. De correspondent is de man in het veld, niet de vertaler van drie telexen die hem door de redactie worden toegestuurd.

De verdienste van Joris Luyendijk is dat hij twijfel zaait. Is alles wat we zien op televisie wel werkelijkheid, zijn de feiten wel de feiten? Hoe weten we eigenlijk wat we denken te weten? Hij voldeed aan een journalistieke plicht.

Ik heb in zijn boek veel herkend en gegniffeld om vreemde routines, kuddegedrag, taalgebruik, percepties. Mijn bezwaar is niet zozeer gericht tegen wat hij heeft geschreven, maar vooral tegen de stemming die na publicatie ontstond. „Nu geloof ik helemaal niets meer”, zeiden Bekende Nederlanders ineens.

Correspondenten proberen, met alle beperkingen die ze hebben de poorten van Nederland nog op een kier te zetten in een tijd van grote zelfobsessie. In de afgelopen vijf jaar zag ik de ene na de andere krant zijn correspondenten uit Afrika terugtrekken. Migratie, islamisering, terrorisme. Al die agendapunten in Den Haag vinden hier hun wortels. Maar who cares – Nederland heeft het al druk genoeg met zichzelf.

Omdat redacties niet langer bereid zijn geld vrij te maken voor dure reportagereizen, bieden hulporganisaties hun eigen ‘journalistieke’ werk aan. In het internetcafé in Goma zat ik tijdens de Congolese verkiezingen elke dag naast een medewerker van het Rode Kruis. Op dezelfde computers tikte hij zijn verslag van de dag. Daarna monteerde hij ook een radioreportage. De videobeelden van de dag bood hij aan in alle vormen die in de televisiewereld gangbaar zijn, digitaal of analoog, u vraagt, wij draaien. Redacties zijn er blij mee. Beelden van vluchtelingen zijn beelden van vluchtelingen. Hulporganisaties bedoelen het altijd goed. Dat ze af en toe de cijfers wat overdrijven om meer geld binnen te krijgen, soit. Beter iets dan niets. Toch?

Zonder correspondent is de beeldvorming van landen ver van ons vandaan uitsluitend nog in handen van hulporganisaties, regeringen en persbureaus.

Onze man in Verweggistan verdient, juist nu, zijn voortbestaan, zolang redacties accepteren dat buitenlandcorrespondenten niet met persbureaus kunnen concurreren en dat ze op pad moeten, om stil te kunnen staan, om die andere wereld te kunnen ontcijferen. Correspondenten doen dat met alle beperkingen en tekortkomingen. Het zijn, tenslotte, net mensen.

Bram Vermeulen is sinds 2001 correspondent Zuidelijk Afrika voor NRC Handelsblad en NOS.