Beledigd? Dreigen met geweld kan uitkomst zijn

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: in hoeverre moet opruiing strafbaar zijn?

Afgelopen vrijdag lekte een brief uit van minister Ernst Hirsch Ballin (Justitie, CDA), waarin hij bepleit om de strafbaarstelling van godslastering aan te scherpen. Vervolging zou volgens de minister al mogelijk moeten zijn als uitingen beledigend zijn voor bepaalde bevolkingsgroepen „zonder dat deze groepen worden genoemd”. Een zeer verregaand voorstel, dat de vrijheid van meningsuiting op losse schroeven zet. En een verborgen politieke agenda lijkt te bevatten.

Het CDA heeft inmiddels een naam hoog te houden als het gaat om de beperking van de vrije expressie. In 2005 probeerde de partij het BNN-programma Spuiten en Slikken te verbieden; twee jaar later werd hetzelfde geprobeerd bij De Grote Donorshow. De partij vroeg ook als enige publiekelijk aan PVV-leider Geert Wilders om terugtrekking van zijn film Fitna. Daarnaast eiste het CDA – zonder succes – een verbod op het computerspel Manhunt 2, op de Partij voor Naastenliefde, Vrijheid en Diversiteit (de ‘pedopartij’) en op een popconcert van zangeres Madonna, waarin zij genageld aan een kruis ten tonele zou verschijnen.

In 2003 had premier Balkenende bovendien al eens zijn ongenoegen geuit over de „schadelijke hoeveelheid satire” over het koningshuis op televisie. Ook procedeerde hij tegen de winkelketen Kijkshop en de organisatie van Ex-pornstar-feesten vanwege „denigrerend gebruik” van zijn portret in hun reclames. En op dit moment voert de minister-president een bodemprocedure tegen het weekblad Opinio, dat een satirische nepspeech over de islam onder zijn naam had afgedrukt.

De meest beruchte poging tot het inperken van de vrije meningsuiting staat niettemin op naam van partijgenoot Piet Hein Donner. Als toenmalig minister van Justitie opperde hij vlak na de moord op Theo van Gogh in 2004 de mogelijkheid om de strafbaarstelling van godslastering wettelijk aan te scherpen. De reacties waren furieus: suggereerde Donner daarmee dat Van Gogh de moord aan zichzelf te danken had door de gevoelens van moslims te kwetsen? Sinds de uitlatingen van Donner is meermaals in de Tweede Kamer voorgesteld om het verbod op godslastering te schrappen, om zo aanscherping van het artikel – die sinds de vrijspraak van schrijver Gerard Reve niet meer functioneert – in de toekomst uit te sluiten. Op 13 maart jongstleden tekende zich nog een ruime Kamermeerderheid af voor het schrappen van de wet.

Des te opvallender is daarom de brief van Donners opvolger Hirsch Ballin, waarin hij nu opnieuw kenbaar maakt het lasterartikel te willen uitbreiden. De minister is voornemens de wet op twee punten te wijzigen. Ten eerste moet niet alleen het „zich beledigend uitlaten over een bepaalde godsdienst” strafbaar worden, maar ook het beledigen van alle andere, niet-godsdienstige „levensovertuigingen”. Ten tweede moet niet langer de „subjectieve bedoeling van de dader” als criterium voor belediging gelden, maar de „meer objectief te bepalen gevolgen voor de openbare orde”, aldus de minister. Anders gezegd, juridisch wordt het dan niet relevant of iets beledigend is bedoeld, maar of het orde verstorende effecten zou kunnen hebben.

Nu heb ik al eerder op deze pagina de uitbreiding van het lasterartikel met ‘alle levensovertuigingen’ bekritiseerd. Een dergelijke verruiming van de wet zou het immers mogelijk maken iedereen aan te klagen op grond van een niet vast te stellen maatstaf: ‘gegriefdheid in het wereldbeeld’. Dit zou de vrijheid van meningsuiting tot nul reduceren, omdat iedereen wel een ‘belediging’ van zijn opvattingen kan ontwaren in een tegengesteld wereldbeeld. De rechter moet dan van alle als beledigend opgevatte uitingen gaan bepalen of ze ‘grievend’ zijn of niet. Dat leidt onherroepelijk tot willekeur en zodoende alsnog tot rechtsongelijkheid. Uitbreiding van het lasterartikel tot ‘alle overtuigingen’ verhelpt het probleem dus niet, maar maakt alleen maar groter.

De tweede wijziging die Hirsch Ballin voorstelt is in deze context echter nog niet eerder gehoord. De minister wil het lasterartikel zo formuleren dat ingrijpen door de overheid in bepaalde uitingen mogelijk wordt wanneer „de belediging naar alle waarschijnlijkheid ernstige gevolgen zal hebben voor de openbare orde”. Men zou hierbij kunnen denken aan haatpreken die de maatschappij zouden kunnen ontwrichten.

De verstoring van de openbare orde is ook in de politieke filosofie één van de vaakst genoemde gronden voor beperking van de vrije expressie. Zelfs de Britse filosoof John Stuart Mill (1806-1873) – één van de grootste voorvechters van het vrije woord – komt tot een dergelijke begrenzing van de vrije meningsuiting. In zijn boek On Liberty (1859) schrijft Mill dat de staat mag ingrijpen als opvattingen op zodanige wijze naar voren worden gebracht dat zij „aansporingen tot misdadige handelingen worden”. Ter illustratie geeft hij het beroemde voorbeeld van de graanhandelaar: „De opvatting dat graanhandelaren de armen uithongeren hoort ongemoeid te blijven, zolang deze slechts door de pers wordt verspreid”, schrijft Mill, „maar mag terecht worden gestraft wanneer zij in een toespraak wordt verkondigd tegen een opgewonden menigte die voor het huis van een graanhandelaar te hoop is gelopen”. Kortom, de grens van vrije meningsuiting ligt waar de openbare orde wordt bedreigd.

Maar Mill is niet voor niets zo specifiek in zijn voorbeeld. De filosoof doelt namelijk uitsluitend op uitingen die expliciet en onmiddellijk de orde dreigen te verstoren, zoals het ter plekke ophitsen van menigtes of het valselijk doen van een bommelding. Uitingen die mogelijkerwijs leiden tot geweld omdat ze als ‘beledigend’ worden opgevat, zoals de minister voorstelt, vallen echter volgens Mill zeker niet in die categorie.

Immers, strafbaarstelling van mogelijk ordeverstorende beledigingen zou betekenen dat het verstoren van de openbare orde wordt beloond. Dat is de wereld op zijn kop: degenen die – omdat ze ‘beledigd’ zijn – de openbare orde dreigen te verstoren, zouden in het vervolg niet bestraft, maar in het gelijk worden gesteld. En de ‘belediger’ wordt vervolgd, omwille van de door hem ‘veroorzaakte’ agressie.

Concreet betekent dit dat aanstootgevende columns, films of kunstwerken in de toekomst zouden kunnen worden verboden, wanneer anderen omwille van het verschijnen ervan de openbare orde besluiten te verstoren – door bijvoorbeeld haatmail te verzenden of rellen aan te kondigen. De verruiming van het lasterartikel zou daarmee dus een enorme inbreuk op de vrije expressie betekenen. Sterker nog, het zou zelfs eigenrichting in de hand werken. Immers, de minister kiest met zijn voorstel partij voor hen die vanwege ‘gegriefdheid in het wereldbeeld’ met ondemocratische middelen een ander het zwijgen op willen leggen, zonder dat er zelfs maar sprake hoeft te zijn van opzettelijke opruiing of kwetsing.

Des te pijnlijker is het dan ook dat de brief van de minister gedateerd is op 6 mei 2008 – precies zes jaar na de moord op Pim Fortuyn. Diens uitlatingen hadden destijds ook veel mensen in hun wereldbeeld ‘beledigd’ – Volkert van der G. was zelfs zozeer gekwetst dat hij de openbare orde ernstig meende te moeten verstoren. Zes jaar later lijkt de minister van Justitie daar met terugwerkende kracht begrip voor op te brengen.

Het is allerminst een geruststelling dat de minister ook schrijft dat „serieuze godsdienstkritiek” mogelijk moet blijven. Het is namelijk niet aan de staat – noch aan de minister van Justitie – om te bepalen wat als ‘serieuze’ kritiek moet worden beschouwd. Dit voorstel lijkt dan ook een geheime agenda te hebben: om Geert Wilders politiek te dwarsbomen. Er liggen op het moment namelijk nog tientallen aangiftes tegen de politicus, die het Openbaar Ministerie vooralsnog niet kansrijk genoeg acht om voor een rechter te brengen. Maar daar zou zeker verandering in kunnen komen als een ‘dreigende ordeverstoring’ een wettelijk criterium voor vervolging wordt.

Mij rest slechts één conclusie: een minister die een dergelijke inperking van de grondrechten voorstaat uit oogpunt van eigen politiek gewin, zou onmiddellijk gedwongen moeten aftreden. De reactie van oppositiepartij D66 dat het voorstel „te algemeen is geformuleerd” is erg zacht uitgedrukt; een motie van wantrouwen is hier eerder op zijn plaats.

Want een minister die de kant kiest van het geweld, grieft iedere rechtschapen burger in zijn wereldbeeld.