‘Azië wordt voor advocatenfirma’s het slagveld’

Bij een van de grootste advocatenfirma’s in Londen staat sinds kort een buitenlander aan de top. Vraaggesprek met een Belg (en een Nederlander) over de globalisering van de advocatuur.

Topman Wim Dejonghe (links) van het Britse advocatenkantoor Allen & Overy en Sietze Hepkema, hoofd van de Amsterdamse vestiging. (Foto Roger Cremers) Nederland, Amsterdam, 04-04-2008 Win DeJonghe, de nieuwe Belgische bestuursvoorzitter van het Londense advocatenkantoor Allen & Overy, en Sietze Hepkema, de Nederlandse managing partner PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Cremers, Roger

Een Belg is doorgedrongen tot de top van een firma in de Magic Circle, de vijf machtigste advocatenfirma’s in de City van Londen. Sinds vorige week is Wim Dejonghe managing partner van Allen & Overy en daarmee de eerste buitenlander die een groot Brits kantoor zal leiden. Bij de overige vier – de kantoren van Freshfields, Linklaters, Clifford Chance en Slaughter & May , die net als Allen & Overy in de jaren negentig internationaal flink zijn gaan expanderen – staan Britten aan de top.

„Een Chinees, een Fransman of een Belg maakt natuurlijk niet zoveel verschil. Maar het is een logische stap in de ontwikkeling van een typisch Engels kantoor naar een wereldspeler. Dan wordt het op een gegeven moment tijd dat een niet-Brit die rol krijgt’, zegt Dejonghe over zijn verkiezing tot een van de twee belangrijkste figuren in het advocatenkantoor, dat 449 partners heeft, 887,1 miljoen pond omzet (1,12 miljard euro) en 281,3 miljoen pond nettowinst in het laatste, gebroken boekjaar. De zogeheten senior partner bij Allen & Overy is nog wel Brit.

Dejonghe is op bezoek in het Apollo House, het art decokantoor van Allen & Overy in Amsterdam. Hij zit in een vergaderzaal gebroederlijk naast Sietze Hepkema, die het Nederlandse kantoor leidt. Zij zijn de twee enige buitenlanders in het verder uit vijf Britten bestaande bestuur van de firma (met 24 kantoren in 19 landen).

In 2000 brachten zij het Beneluxkantoor Loeff Claeys Verbeke onder bij Allen & Overy – waarbij overigens een deel van het Nederlandse kantoor zelfstandig verder ging als Loyens Loeff. Dejonghe: „In de Europese consolidatie van advocatenkantoren heeft Loeff Claeys Verbeke destijds een voortrekkerrol gespeeld. Sietze en ik hebben toen met butsen en bulten ervaring opgedaan, die nu nuttig is.”

De Britten missen die ervaring?

Hepkema: „ De Engelsen zijn van nature effectieve globalisten, vooral door hun koloniale ervaring. Wij Nederlanders kunnen ook praten vanuit het perspectief overgenomen te worden. Dan ben je sensitiever voor wat het betekent om één geheel te smeden. ”

Dejonghe: „Engelsen zijn ook goed in het bouwen van een robuust, wereldwijd ict-systeem voor alle kantoren. Er zijn geen culturele verschillen in zo’n Engels systeem.”

Hepkema: „Als je dat Fransen, Duitsers en Nederlanders samen zou laten doen, dan kom je er nooit. Die Engelsen zeggen gewoon: zo doen we dat. ”

Ligt er voor u als Belg een taak om Allen & Overy van een Brits in een meer internationaal kantoor te veranderen?

Dejonghe: „Ik denk dat we halverwege zitten. Nog 40 tot 45 procent van de partners is Engels. Maar van de ongeveer 30 nieuwe partners dit jaar is bijna driekwart van buiten Engeland. En die trend zal voortduren.”

Hepkema: „ We zijn op weg naar een mondiaal kantoor met verscheidene centra. Straks zal het best kunnen dat de hele ICT uit Londen weggaat en in India zal gaan zitten. En komt het trainingscentrum bijvoorbeeld in Amsterdam en het financiële beheer in Hongkong terecht.”

Hoeveel Loeff Claeys Verbeke zit is er nog in Allen & Overy?

Hepkema: „Ik denk dat wij zendelingenwerk verricht hebben door een maatschapscultuur uit te dragen. De compagnons in de Benelux kennen elkaar heel goed, ze zijn bijna vrienden. Dat heb je ook in Londen. Dat hebben we samengevoegd. En in onze nieuwe kantoren moet die cultuur ook ontstaan.”

Dejonghe: „Sietze en ik kennen elkaar meer dan 20 jaar. Je doet dingen met de gezinnen samen en kent elkaar zodanig goed dat je naar een maatschap in de echte betekenis van het woord evolueert.”

Dat verwacht je niet bij een global firm

Hepkema: „Nee, dan verwacht je een machine. hè? Maar dat is het dus niet het. Het blijft een mensenbusiness. Ook binnen zo’n organisatie met 2.500 juristen in de hele wereld doe je je werk beter als er een onderlinge band is. Die band proberen we op allerlei manieren te verstevigen.”

Wat is er verdwenen van dat oude Loeff?

Dejonghe: „Bij het oude Loeff was er de jacht naar het volume van het werk. Het grootste was het beste. Dat liet toe dat je ook je buurman voor de rechter ging verdedigen. Dat is best leuk, maar het bracht ons niet verder.”

Hepkema: „Loeff was een verzameling individuen die het heel goed met elkaar konden vinden, maar de een deed dit en de ander deed dat. Door professionalisering doe je meer samen, past het beter bij elkaar wat je doet. Vroeger zag je binnen kantoor tussen mensen en praktijken kwalitatief grotere verschillen. Als je een typisch Loeffkantoor nam, dan had je al snel een lijst met wel acht- of tienduizend cliënten. Als je nu kijkt zullen het er eerder tweeduizend zijn.”

Dejonghe: „Je kon vroeger partners hebben, omdat het goede vrienden waren. Nu is de kwaliteitsnorm bepalend.”

Hoe komt het dat Amerikaanse kantoren zich hier geen positie kunnen verwerven terwijl ze in andere Europese landen in opmars zijn?

Dejonghe: „Nederland is een lastige markt voor iemand die niet van hier komt. Er zijn veel sterke spelers waar je moeilijk tussen komt.”

Hepkema: „We hebben de Engelsen en Amerikanen niet echt nodig gehad om te internationaliseren toen de transacties en documenten in de jaren tachtig plotseling allemaal in het Engels gingen. Advocaten in landen als Duitsland en Frankrijk waren veel traditioneler, wat de ruimte bood aan Engelse en Amerikaanse kantoren. Het Nederlandse bedrijfsleven weet bovendien zelf heel goed welk kantoor ze waarvoor moeten gebruiken en stapt zelf wel naar bijvoorbeeld een Chinees kantoor in Shanghai. Heel anders dan Duitse of Franse bedrijven, die aan de hand van hun eigen adviseurs keuzes maken in het buitenland.”

Is een fusiegolf tussen grote Britse en Amerikaanse kantoren te verwachten?

Dejonghe: „Niet tussen de kantoren uit de toptien. Maar wel tussen de kantoren die nu net niet in de toptien staan, maar er door een fusie wel in kunnen komen. En daardoor kunnen ze druk gaan zetten op ons. Maar dat verwacht ik niet in de eerste twee jaar. Ik wil wel absoluut onze aanwezigheid in de VS versterken. Door het aantrekken van partners en misschien kleine overnames.”

In welke landen is de strijd tussen de Britse en Amerikaanse kantoren het hevigst?

Hepkema: „In Azië ligt het slagveld van de toekomst, dat wordt een strijd tussen de rechtssystemen. De Engelsen hebben een voorsprong door hun koloniale verleden. Maar de Amerikanen hebben het voordeel dat ze al veel langer meer vreemde culturen in hun eigen land hebben geadopteerd. Er zijn Amerikaanse advocaten die ook vloeiend Chinees of Japans spreken. En daar hebben wij in Europa er aanzienlijk minder van. ”

Dejonghe: „Wij gaan ons lot niet alleen verbinden aan het Engelse systeem. Wij gaan investeren in het Amerikaanse systeem. Voor mij is dat een van mijn belangrijkste taken. Ik kom vier tot vijf keer per jaar op Amerikaanse campussen als Harvard of in Chicago of New York om jonge mensen voor ons te vinden. Amerikanen weten dat als Aziaten in hun school opgeleid worden, hun invloed in Azië veel groter zal zijn. Wij moeten dat in Europa ook veel meer doen, maar liggen nu enorm achter.”

Dat lijkt pas echt een probleem voor de Europese kantoren.

Hepkema: „Onze continentale rechtssystemen zijn inderdaad geen exportproducten. Voor alle professionele dienstverleners die steeds meer mondiaal opereren – bankiers, consultants, accountants – maakt het niet meer uit waar ze zitten en waar ze zijn opgeleid. Eigenlijk zijn advocaten de grote uitzonderingen, die zijn nog gebonden aan een systeem dat nationaal van aard is.”

Dejonghe: „Maar jonge juristen zullen met meer rechtssystemen moeten kunnen werken. Er is nu één programma waarbij studenten twee jaar in Parijs en twee jaar in Londen studeren en ze krijgen daarna een dubbele kwalificatie. Dat is de trend voor de toekomst van de Europese continentale juristen. Nederlandse en Belgische universiteiten zullen allianties moeten aangaan met Britse of Amerikaanse universiteiten.”