Wat de Talibaan niet wisten op te blazen

Olieverf is waarschijnlijk geen Europese uitvinding.

Achter de reuzenboeddha’s van Bamiyan is schilderwerk ontdekt, eeuwen ouder dan dat van Van Eyck (1390-1441).

In Afghaanse grotten zijn olieverfschilderingen ontdekt uit de zevende eeuw. De afbeeldingen zijn honderden jaren ouder dan de vroegste Europese olieverfkunst. De schilderingen tonen boeddhafiguren zittend in lotushouding tussen palmbladeren en mythische figuren. De kleurrijke boeddhaschilderingen bevinden zich in grotten die schuil gingen achter twee enorme boeddhabeelden die in 2001 door de Talibaan zijn opgeblazen, in de Vallei van Bamiyan.

Franse, Japanse en Amerikaanse wetenschappers hebben de resten van uitgedroogde olie gevonden in schilfers van muurschilderingen. De boeddha’s op de schilderingen, door de Talibaan beschadigd maar niet vernietigd, dragen kleurrijke gewaden in wit en vermiljoenrood.

De onderzoekers publiceren over de vondst in het wetenschappelijke tijdschrift Journal of Analytical Atomic Spectrometry. Deskundigen in de chemische analyse van schilderijen waarschuwen dat de resultaten voorzichtig geïnterpreteerd moeten worden.

De onderzoekers stelden verfschraapsels bloot aan de intense straling van het Europese synchrotron, een elektronenversneller in Grenoble. Röntgen- of infraroodstraling die van de verf terugkaatst of erdoor wordt verstrooid is kenmerkend voor de aanwezigheid van uiteenlopende pigmenten en de olie. Uit absorptie en weerkaatsing van zeer intense infraroodstralen konden de onderzoekers esterbindingen (binding tussen een zuur en een alcohol) en verbindingen tussen koolstof en waterstof detecteren, in zeer kleine concentraties. „De frequentie van de straling die terugkomt als je een monster beschijnt, is typisch voor bepaalde chemische bindingen”, zegt René van Grieken, hoogleraar chemie aan de Universiteit Antwerpen.

Met röntgenkristallografie slaagden de onderzoekers er ook in om de kristalstructuur – en dus de identiteit – te bepalen van goethiet en cerussiet, mineralen die respectievelijk rood en wit pigment leverden. Behalve de olie, die mogelijk werd gewonnen uit walnoten of papaverzaden, werden er in de boeddhaschilderingen ook andere natuurlijke materialen gebruikt zoals eieren, harsen en Arabische gom. De crux is dat de kunstenaars een olie gebruikten die niet vloeibaar blijft, maar vrij snel uithardt, in tegenstelling tot de meeste oliën.

Jaap Boom van het FOM-Instituut voor Atoom- en Molecuulfysica in Amsterdam – niet bij dit onderzoek betrokken – waarschuwt dat de ester- en koolwaterstofbindingen niet bewijzen dat de kunstenaars in de Afghaanse grotten plantaardige oliën gebruikten. „Het kan ook zijn dat de onderzoekers dierlijke vetten hebben gezien zoals bijenwas”, zegt hij. „We kennen Egyptische schilderingen die met bijenwas vervuild zijn geraakt.” Volgens Boom valt met massaspectrometrie het verschil tussen dierlijk vet en plantaardige olie te bepalen, maar dat is niet gebeurd. Ook Van Grieken durft niet met zekerheid te zeggen of de esterbindingen in de Afghaanse verf plantaardige oliën identificeren. „Het zal wel waar zijn”, aldus de Belgische hoogleraar.

In Europa werd uitdrogende lijnzaadolie in verf vanaf de vijftiende eeuw algemeen toegepast. De ontdekking wordt toegeschreven aan de Vlaamse schilder Jan van Eyck (1390-1441). „Maar olie werd in schilderingen waarschijnlijk al in de twaalfde en dertiende eeuw toegepast”, zegt Jan Piet Filedt Kok, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam.