Uitgetild boven het alledaagse

Expositie Collectie Van Zoetendaal, t/m 22 juni in Fotomuseum Den Haag. Inl. 070-3381144 of fotomuseumdenhaag.nl

Een meneer en een mevrouw die samen een acrobatische act opvoeren in een huiskamer. Een leunstoel verkleed als reus. Een krullerige verzameling snoeren en stekkers in de rug van een raadselachtig elektrisch apparaat. Het zijn foto’s van niks eigenlijk, zonder enige artistieke pretentie gemaakt door anonieme amateurs of vaklieden die eigenlijk maar gewoon hun werk deden.

‘Vernacular photography’, heet het in de Angelsaksische wereld – alledaagse fotografie. Maar die vertaling dekt niet helemaal de lading. ‘Alledaags’ suggereert een trivialiteit die foto’s als die van het acrobatenduo, de reuzenstoel en de stekkerspaghetti nu juist zijn ontstegen. Geheel onbedoeld en op raadselachtige wijze hebben ze zich bevrijd van de anekdotiek van het waarlijk alledaagse. Kleine kunstwerkjes zijn ze geworden; letterlijk zelfs, want afgedrukt op een formaat dat dat van de ansichtkaart niet overstijgt.

Het is het ‘soort’ fotografie dat op warme belangstelling kon rekenen van galeriehouder, uitgever en voormalig Rietveld-fotodocent Willem van Zoetendaal. In de jaren negentig stelde hij er regelmatig exposities uit samen, al dan niet gecombineerd met werk van hedendaagse fotografen als Rineke Dijkstra, Koos Breukel, Harold Strak of Paul Kooiker. Niet toevallig beoefenaars van portret en stilleven; genres waarin net als in die ‘vernacular photography’ het ragfijne spel gespeeld kan worden met de ogenschijnlijke trivialiteit.

Dat spel loopt als een rode draad door de fotocollectie die Van Zoetendaal vanaf het begin van de jaren negentig aanlegde. Vorig jaar schonk hij de duizend foto’s aan het Gemeentemuseum Den Haag, dat daaruit nu een ruime selectie toont. De presentatie is samengesteld door Van Zoetendaal zelf: bijna driehonderd foto’s, losjes gerangschikt in associatieve beeldreeksen.

De onverminderd indringende foto’s die Koos Breukel in 1996 maakte van een door aids aftakelend mannenlichaam zitten er tussen. Zuurstokkleurige familieportretten uit een voorheen Oost-Duitse fotostudio. Een handvol Portugese tramabonnementen met pasfoto’s van de verouderende eigenaar. Bloemstillevens uit 1920 naast moderne varianten met een scheermes of een patatvorkje. Zwoele hedendaagse naakten van Arno Nollen en Paul Kooiker naast honderd jaar oudere versies van de tevens fotograferende schilder G.H. Breitner. Er is ‘vroeg werk’ van internationaal gerespecteerde fotografen als Céline van Balen en Hellen van Meene. En van Rineke Dijkstra - een reeksje polaroids van verlegen terugkijkende meisjes dat vooral laat zien dat de fotografe nog moest leren wachten op de onbestemde blik die haar latere werk zo intrigerend maakt.

Het is vooral veel dat er in Collectie Van Zoetendaal bij elkaar wordt gebracht. Te veel eigenlijk, waardoor het broeierige spel met contrasten, overeenkomsten en beeldrijm gaandeweg aan kracht inboet en het zicht op de hoofdlijnen verloren gaat. Een gesluierde vrouw en een biddende man uit het 19de eeuwse Turkije combineren met portretten uit de studio van To Sang in de hedendaagse Amsterdamse Pijp, levert een verrassend resultaat op. Maar de er omheen gestrooide foto’s van bij een raam lezende mensen, een ansichtkaartje met twee wandelende vrouwen langs de Taag plus nog eens een reeks afbeeldingen van vliegtuigpioniers - het doet eerder afbreuk aan het geheel dan dat het iets toevoegt.

Het is natuurlijk wel voorstelbaar – de verzamelaar die na een jaar zijn geliefde foto’s weer onder ogen krijgt en ziet dat geen enkele foto onderdoet voor de ander. De acrobatenact niet voor Paul Kooikers close-up van uitdunnend haar op een mannenhoofd. De reuzenstoel niet voor Rineke Dijkstra’s net uit de arena teruggekeerde stierenvechter. De stekkerspaghetti niet voor de hoofddeksels uit de tijd van de Franse Revolutie. Gulzig weerzien moet het geweest zijn. En ja, probeer dan maar eens te kiezen.