Twee Ronnies, één snookergenie

Depressies en verslavingen bezorgen Ronnie O’Sullivan (32) een grillige carrière.

Gisteravond won hij voor de derde keer het WK door in de finale Ali Carter te verslaan.

Ronnie O’Sullivan, vorige week maandag na zijn maximumscore van 147 op het WK. Foto AP England's Ronnie O'Sullivan celebrates after scoring a maximum break of 147 to win his match against Mark Williams of Wales during the World Snooker Championship at the Crucible Theatre, Sheffield, England, Monday April 28, 2008. (AP Photo/PA, Gareth Copley) ** UNITED KINGDOM OUT NO SALES NO ARCHIVE ** Associated Press

Het is amper anderhalf jaar geleden, de kwartfinale van de UK Championships. Ronnie O’Sullivan versus Stephen Hendry. De licht ontvlambare Engelsman tegen de altijd koele Schot, zevenvoudig wereldkampioen. O’Sullivan staat 4-1 achter in een wedstrijd om negen winnende frames. Hij maakt een mooie reeks maar mist dan een makkelijke rode bal. Hij rolt met de ogen, zucht, stapt op zijn tegenstander af, schudt hem de hand, mompelt „ik heb er genoeg van” en beent als een wervelwind de zaal uit. Hendry, het publiek, de commentatoren en televisiekijkend Engeland blijven vol ongeloof achter. In de zaal laat een jonge vrouw een traan over haar bolle wangen druppelen. Wat is dit nu weer? Het definitieve einde? Wie geeft nu een wedstrijd op die niet eens halverwege is?

Niemand. Behalve Ronnie O’Sullivan. De speculaties over een versneld einde van zijn carrière nemen toe, na die onvoorziene opgave. O’Sullivan heeft al eens een sabbatjaar genomen, omdat hij het spelletje beu was. Hij verveelt zich nu eenmaal snel. Ook – en vooral – rond de snookertafel. Hij baalde enorm van zichzelf, zei hij achteraf over die opgave. Hij vond zichzelf niet goed genoeg om tegen Hendry te spelen. Hij kon er niets van. En ja, hij overwoog ernstig om er deze keer helemaal uit te stappen. De demonen in het hoofd van Ronnie O’Sullivan hadden het weer gewonnen van zijn ongebreidelde talent. De negatieve, zelfdestructieve Ronnie had het snookergenie verslagen.

Er zijn twee Ronnies, en hij kan alleen verliezen van zichzelf, meent ex-wereldkampioen en BBC-analist Steve Davis.

Ronald Antonio O’Sullivan wordt op 5 december 1975 geboren in Wordsley, Essex. Zijn vader en Italiaanse moeder leiden een druk bestaan als uitbaters van een keten van seksshops, geconcentreerd in de hippe Londense wijk Soho. In de kroegen waar vader Ronald zijn zoon mee naartoe neemt, pikt de kleine Ronnie aangemoedigd door zijn vader het snookerspel op. Hij blijkt een natuurtalent. Amper tien jaar oud maakt hij zijn eerste century break, met een score van 117 punten. Op vijftienjarige leeftijd behaalt hij zijn eerste maximum break: 147.

Op zijn zestiende wordt O’Sullivan prof. Hij wint zijn eerste 38 duels, een record dat nog steeds staat, en plaatst zich als jongste speler ooit voor het wereldkampioenschap: The Crucible in Sheffield is voor snookerspelers wat Wembley is voor Engelse voetballers, de ultieme droom. O’Sullivan speelt attractief en ijsbeert als een razende rond de tafel. Het publiek sluit de ontwapenende jongeman in de armen. In die tijd krijgt hij zijn bijnaam The Rocket.

Maar al snel slaat het noodlot toe. Zijn vader mag in 1993 het eerste optreden van Ronald jr. in Sheffield niet meemaken. Hij zit in de gevangenis. Veroordeeld tot achttien jaar cel voor moord. Tijdens een ruzie in een nachtclub brengt hij met messteken Bruce Bryan, de chauffeur van Charlie Kray, om het leven. De oudste van de beruchte Kray-tweeling, die in de jaren vijftig en zestig de Londense East End onveilig maakte met moord en afpersing, was een vriend van de familie. Ronnies moeder, die de pornobusiness alleen draaiende houdt, wordt enkele maanden later veroordeeld voor belastingontduiking. Ook zij belandt een half jaar in de cel.

O’Sullivan stort zich op het snooker, maar zonder de inspirerende aanwezigheid van zijn vader heeft hij het lastig. De eerste tekenen van verveling slaan toe. In 1996 verslaat de rechtshandige O’Sullivan op het WK een Canadees, hij hanteert de keu met links. „Just for fun”, lacht hij, maar tegenstander en publiek kunnen het geintje niet waarderen.

O’Sullivan voelt zich miskend. Hij vlucht in de glamoureuze schijnveiligheid van de onderwereld. Hij ontwikkelt verslavingen; leeft op een dieet van een fles wodka per dag, twee pakjes sigaretten en junkfood. Hij verwekt een dochter met wie hij geen contact wenst te hebben, krijgt een boete en een voorwaardelijke schorsing voor het uitdelen van een kopstoot aan een scheidsrechter en wordt betrapt op het gebruik van marihuana. Toch blijft hij grote toernooien winnen en onwaarschijnlijke prestaties leveren. Op het WK van 1997 maakt hij een maximum van 147 in amper vijf minuten en twintig seconden. Volgens velen is die recordtijd niet te verbeteren.

In 2000 eist het losbandige leven zijn tol. O’Sullivan krijgt last van angstaanvallen en is suïcidaal. Hij zoekt hulp in een afkickcentrum en bij de Anonieme Alcoholisten. De diagnose wekt voor zijn omgeving geen verbazing: O’Sullivan blijkt manisch-depressief. Hij krijgt het antidepressivum Prozac voorgeschreven. Aan de vooravond van het WK van 2001 wordt hij nog overmand door twijfels. Maar eenmaal aan de snookertafel blijkt waartoe een herboren O’Sullivan in staat is: hij wordt voor het eerst wereldkampioen.

O’Sullivan ruilt de kroeg in voor het fitnesscentrum. Hardlopen wordt zijn nieuwe drug: tien kilometer per dag. Hij hervindt rust bij zijn nieuwe liefde Jo Langley, die hij leert kennen bij de AA. Ze krijgen twee kinderen. Ray Reardon, de oud-snookergrootheid, stelt voor hem te begeleiden. In 2004 resulteert het in zijn tweede wereldtitel.

Maar de grilligheid verdwijnt daarmee niet uit z’n leven. Vaak slaat de verveling weer toe. In 2005 verliest hij in de UK Championships van Mark King. Hij zit een halve wedstrijd met een handdoek over zijn hoofd. Ook in 2005 haalt hij de kwartfinale van het WK. Peter Ebdon, in alles zijn tegenpool, neemt zoveel tijd voor iedere stoot dat O’Sullivan verveeld zit rond te kijken, geeuwt en zelfs aan een toeschouwer vraagt hoe laat het is. Dat soort gedrag maakt hem niet geliefd bij zijn medespelers.

De sabbatical in 2005-2006 doet hem goed, vertelde hij aan de Britse pers, al is er nog dat akkefietje met Hendry eind 2006. Helemaal rustig zal O’Sullivan nooit worden, zeker niet in de buurt van een snookerarena. Hij heeft meer talent dan Roger Federer of Tiger Woods, meent BBC-analist Davis. Maar: „Ronnie wil niet begrijpen dat hij niet elke dag op hetzelfde, buitengewone niveau kan spelen”, vindt de ervaren Britse snookerjournalist Clive Everton.

De vinger op de zere plek. „Ik heb sinds mijn zestiende nooit meer constant gepresteerd. Ik baal van mezelf, vind dat ik twee wereldtitels heb weggegooid, mijn talent verspild”, zegt O’Sullivan anderhalve week geleden in de Daily Mail, aan de vooravond van het WK. In Sheffield blijkt hij helemaal terug. Maandag slaagde hij erin weer een 147 te maken, zijn derde ooit op een WK, een record. Vrijdag verslaat hij Hendry in de halve finale met 17-6. „Het beste snooker dat ik ooit heb gezien”, zegt zijn tegenstander na afloop. In de finale (best-of-35) versloeg O’Sullivan gisteravond Ali Carter met 18-8, door bij vlagen onnavolgbaar spel.

Op zijn best, zoals zondag en gisteren, is O’Sullivan onverslaanbaar, en een charmante persoonlijkheid. Maar steeds opnieuw is er die twijfel. „Voor iedere wedstrijd denk ik te verliezen. Het maakt me bang, verlamt me”, zegt hij eind vorig jaar in The Times. Of dat te maken heeft met zijn vader, die hij al zestien jaar alleen spreekt via de telefoon of in een spreekkamer van de gevangenis? Lange stilte, dan een kurkdroog „ja”.

Over twee jaar komt zijn vader vrij. Daar kijkt hij erg naar uit.

Herbeleef de WK-finale op www.worldsnooker.com