Totaal aantal vetcellen in jeugd bepaald

Het aantal vetcellen van een mens verandert nauwelijks meer na het twintigste levensjaar, ook niet als iemand sterk aankomt of afvalt. Dat bevestigt een Zweedse groep onderzoekers.

De onderzoekers onder leiding van het Zweedse Karolinska-instituut, publiceerden hun werk zondag in de vroege internet-versie van het tijdschrift Nature. De conclusie is dat kinderen anders dik worden dan volwassenen.

Kirsty Spalding en collega’s leunen op onderzoek dat al in de jaren zestig en zeventig is verricht, maar voegen er gegevens van zo’n zevenhonderd mensen aan toe. Van zowel dikke als magere mensen namen zij monsters buikvet waarin ze de aantallen vetcellen telden.

Zo reconstrueerden de Zweden dat vetzuchtige volwassenen (met een BMI over de dertig) ongeveer twee keer zoveel vetcellen hebben als normaal. Die hebben ze als (dikke) kinderen gekregen. Maar als zij eenmaal volwassen zijn, blijft het aantal vetcellen constant.

Zelfs als een patiënt een maagband krijgt aangemeten, waardoor hij radicaal gewicht verliest, verandert het aantal vetcellen in de eerste jaren niet. Dat maten de onderzoekers bij twintig mensen die zo’n operatie ondergingen.

Rond 1970 was het omgekeerde al opgemerkt in een onderzoek waarin gedetineerde twintigers zichzelf vrijwillig vetmestten: na een paar maanden hadden de gevangenen niet méér vetcellen. Alleen de bestaande vetcellen groeien en krimpen dus.

Dat het aantal vetcellen constant blijft, is des te verbazender nu is komen vast te staan dat de vetcellen voortdurend doodgaan en vervangen worden. Elk jaar wordt ruim 8 procent van de vetcellen vervangen, berekenden de Zweden. Dit bleek bij onderzoek aan vet dat bij liposuctie-behandelingen van 35 mensen was vrijgekomen. Ze gebruikten een zeer originele techniek om de ouderdom van de cellen te bepalen.

Die maakt gebruik van het feit dat in de jaren 1955-1963 een bepaald type koolstof (de isotoop 14C) als bestanddeel van CO2 in de lucht ongewoon algemeen was geworden als gevolg van de vele bovengrondse atoomproeven. Naderhand raakte de atmosfeer dit CO2 weer langzaam kwijt. Cellen en weefsels die rond 1955-1963 zijn aangelegd zijn te herkennen aan het hoge gehalte 14C in hun DNA. Oude en jonge cellen zijn dus van elkaar te onderscheiden.