Staat versus Opinio

De Staat der Nederlanden en de minister-president hebben een proces aangespannen tegen het opinieweekblad Opinio. Aanleiding is de publicatie – omstreeks 1 april – van een ‘geheime’ toespraak toegeschreven aan J.P. Balkenende, in zijn rol als CDA-leider. De tekst is een pastiche, bedoeld om het CDA op te roepen beter na te denken over de verhouding tussen christendom en islam.

Het is zeer de vraag of de staat met dit proces proportioneel optreedt. De Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) heeft op de dag van publicatie bekendgemaakt dat de premier niets met de tekst te maken heeft. De landsadvocaat ging bovendien over tot het aanspannen van een kort geding, namens de minister-president en namens de staat, om aan de buitenwereld duidelijk te maken dat de minister-president niet echt de auteur was van dit stuk. Het had voor een kabinet dat fervent voorstander is van zelfregulering in allerlei maatschappelijke sectoren, meer in de rede gelegen de klacht voor te leggen aan de Raad voor de Journalistiek.

De rechter heeft de staat en de minister-president begin deze maand nul op het rekest gegeven. Volgens zijn uitspraak is het gewraakte artikel „overduidelijk een verzinsel dat op karikaturale wijze (het gebrek aan) polemiek omtrent het christendom en de islam aan de orde stelt en uitlokt”. Daarmee was voor iedereen die daar nog aan twijfelde na het persbericht van de Rijksvoorlichtingsdienst onomstotelijk vast komen te staan dat premier Balkenende niet de auteur was van de betreffende toespraak.

Desalniettemin spande de minister-president onlangs een bodemprocedure aan tegen het tijdschrift. Kennelijk wilde de staat niet alleen de eigen positie markeren. Balkenende zelf heeft in het verleden laten blijken moeite te hebben met satire. Zo haalde hij in 2003 uit naar een tv-programma waarin de koningin door een kleipoppetje werd gepersifleerd. „Feit en fictie gaan door elkaar lopen, ook al is het een nepkoningin”, aldus de premier destijds.

Nu gaat de staat een stap verder door fictie voor feit te blijven houden, ofschoon de rechter de tekst een „verzinsel” heeft genoemd. De landsadvocaat betoogde in kort geding dat de staat en de minister-president moeten worden beschermd tegen reputatieschade. Bovendien is de staat van mening dat de vrijheid van meningsuiting in dit geval onderschikt zou zijn aan de bescherming van de openbare veiligheid. De landsadvocaat leverde overigens de bouwstenen voor reputatieschade: volgens hem wekt de tekst in Opinio de indruk dat „Balkenende onoprecht is geweest in zijn publiekelijk ingenomen positie, dat hij huichelt en onbetrouwbaar is”. In Den Haag zou de reactie zijn: ‘ik hoor het u zeggen.’

De rechter concludeerde dat de staat in het geding „ten onrechte gebruikmaakt van politieke argumenten om het gewraakte artikel te verbieden”. Ondanks deze tik op de vingers procedeert Balkenende door tegen Opinio. Daarmee komt de minister-president in de buurt van aantasting van de persvrijheid.