O’Sullivan wint derde WK snooker

Ronnie O’Sullivan is gisteravond voor de derde keer wereldkampioen snooker geworden. In de finale versloeg hij zijn voormalige trainingspartner Ali Carter met 18-8. O’Sullivan, eerder wereldkampioen in 2001 en 2004, droeg de titel op aan zijn vader, die een celstraf van 18 jaar uitzit voor moord.

Door zijn zege stijgt de Engelsman opnieuw naar de eerste plaats op de ranking. Hij krijgt 250.000 pond (321.000 euro) voor de zege. Daar komt 78.500 pond bij voor het behalen van de maximumscore van 147 punten. Carter krijgt hetzelfde bedrag voor het scoren van een 147. Niet eerder op het WK behaalden twee spelers een maximum break.

In de finale reikte O’Sullivan zelden tot zijn hoogste niveau. Toch bleek de voorsprong die hij opbouwde in de eerste sessies zondag (11-5) voldoende om de vermoeide Carter, in diens eerste finale op een groot toernooi, te verslaan. O’Sullivan was dan ook kritisch na afloop. „Ik was helemaal niet zo goed. Ik ben vooral opgelucht. Ik speelde zeer goed in de halve finale, maar voelde me zelden comfortabel in de finale”, zei hij voor de tv-camera van de BBC.

O’Sullivan is pas de derde speler die er in slaagt om in The Crucible in Sheffield drie wereldtitels te winnen. Steve Davis (zes titels) en Stephen Hendry (zeven) gingen hem voor. „Het idee dat ik misschien nog een paar keer wereldkampioen kan worden, is wel aanlokkelijk”, zei O’Sullivan achteraf op de persconferentie. Maar onmiddellijk na de wedstrijd zei hij op tv misschien een pauze te willen inlassen. „Het is ook wel mooi om afscheid te nemen als de beste van de wereld.” O’Sullivan gaf al eerder aan te willen stoppen, maar nooit na een overwinning.

De grillige Engelsman, die kampte met een alcoholverslaving en manisch-depressief is, werd de afgelopen weken alom geprezen om zijn ‘geniale’ spel. Steve Davis noemde hem na zijn halve finale tegen Stephen Hendry (17-6 winst) beter dan tennisser Roger Federer of golfer Tiger Woods. O’Sullivan kon er om glimlachen toen hem gevraagd werd wat hij daarvan vond. „Dan zeggen ze dat ìk gek ben. Hij is echt gek.”