Nog nooit werd in een station zoveel hout verwerkt

Exterieur van het station Bijlmer ArenA in Amsterdam. Links: vooraanzicht. Rechts: onderdoorgang met zicht op de houten overkapping. Foto’s NRC Handelsblad, Leo van Velzen Amsterdam, 25-04-08. Exterieur van het Amsterdam Bijlmer ArenA station. Foto Leo van Velzen NrcHb. Velzen, Leo van

Gebouw Station Bijlmer ArenA. Architecten: Grimshaw Architects en ARCADIS Architecten. Opdrachtgevers: ProRail en gemeente Amsterdam. Kosten: 150 miljoen euro. Oplevering: 2008.

Elegant is niet het woord voor de overkapping van de perrons van het nieuwe station Bijlmer, dat vorige week werd bekroond met de prijs van de Bond van Nederlandse Architecten voor het beste gebouw van 2008. Elegantie is ook niet wat je kunt verwachten van het Engelse architectenbureau Grimshaw, dat, samen met de Nederlander Jan van Belkum, het nieuwe station Bijlmer ArenA in Amsterdam heeft ontworpen. Al eerder liet Grimshaw Architects met de Enneüs Heermabrug tussen het Amsterdamse vasteland en de Vinexwijk IJburg zien dat je van dit bureau geen ragfijne constructies hoeft te verwachten. Heel toepasselijk heet dit kloeke, om niet te zeggen lompe, bouwwerk inmiddels de BH of de Billenbrug.

Maar indrukwekkend zijn de vijf kappen van het nieuwe Bijlmerstation beslist: de grijze, stalen leggers vormen een flauwe boog van zo’n tweehonderd meter lang. Bovendien zijn ze, evenals de scheve, dynamische pijlers waarop ze rusten, buitengewoon dik. Niet het ‘less is more’-principe waar veel ingenieurs zo van houden is hier de leidraad geweest, maar ‘more is better’. De dikke pijlers en leggers zijn overigens niet alleen het gevolg van de liefde van de architect voor meer. Ze zijn hol en ze zijn ook groot, omdat er gemakkelijk reparateurs in moeten kunnen om de leidingen die erin liggen te vervangen of te herstellen.

De stationsoverkapping bevat een noviteit. Nog niet eerder is in Nederland zoveel hout gebruikt voor een station. Aan de visgraatvormige leggers zijn schuine, houten vlakken gehangen, die elkaar bijna raken. Door dit laatste – en dit is het knappe van de constructie – vormen de vijf kappen één geheel en lijkt het alsof de metro- en treinsporen worden overdekt door één grote superkap.

De spectaculaire kappen vormen een contrast met de rest van het station. Wie de perrons via lange roltrappen afdaalt komt in een ruimte die eigenlijk niet meer is dan een deel van een brede doorgang onder de sporen. Deze nieuwe brede doorgang, waar het daglicht van boven invalt, vervangt een oude betonnen, duistere pies-en-poep-spelonk die vroeger het oude Bijlmerwinkelcentrum verbond met de ArenA Boulevard, het nieuwe uitgaanscentrum met onder meer het Ajax-stadion, een megabioscoop en een muziekhal. Dit is een hele verbetering, maar de stationshal zelf is eigenlijk niet meer dan een met glazen wanden afgeschot deel van de nieuwe doorgang. Er staan tourniquets die nog niet worden gebruikt, er is een loketje en in benepen ruimtes zijn een paar winkeltjes gepropt, maar nergens is een spoor te bekennen van de grandeur van beroemde stationshallen als die in Antwerpen.

Met zijn combinatie van non-descripte stationshal en opzienbarende overkapping is het nieuwe Bijlmerstation het tegendeel geworden van de oerstations uit de 19de eeuw. Anderhalve eeuw geleden, toen treinen een nieuw gebouwtype eisten, kenden grote stations een strikte scheiding tussen paleisachtige gebouwen en de perrons met overkappingen. Aan de spoorpaleizen met hun grote hallen besteedden architecten buitengewone aandacht, de perrons en overkappingen behoorden tot het utilitair-technische domein van de ingenieur.

Maar in Bijlmer ArenA is het omgekeerd. Hier is alle aandacht van de architecten uitgegaan naar de overkapping en is de vergeten stationshal verdampt tot een armzalige restruimte.