Lijnbaansgracht 84

Nu hij gestorven was, die grote schrijver over kleine mensen, werd het tijd om aan te bellen op Lijnbaansgracht 84 in de Jordaan, een adres waar J.J. Voskuil met zijn vrouw Lousje van 1956 tot 1969 gewoond heeft. Hij heeft over dit onopvallende, in 1890 gebouwde rijtjeshuis een van de beste stukken uit zijn oeuvre geschreven: Lijnbaansgracht in zijn laatste boek Onder andere.

De huidige bewoner, Björn Stenvers die er sinds 2000 met zijn vrouw en drie katten woont, leidde me gastvrij in de kleine ruimte rond. Evenals Voskuil bewoont hij alleen de benedenverdieping.

Veel viel nog te herkennen uit de beschrijvingen van Voskuil. De kast onder de trap waarover de buren onzichtbaar, maar wél zeer hoorbaar naar boven stommelen, de kamer die via een deur achterin meteen in de keuken overgaat, en vandaar, zonder gang, naar de wc leidt, het raam achterin de kamer dat uitziet op een piepklein plaatsje, afgeschoten met een hoge muur, waar alleen ’s morgens zonlicht valt.

„Maar in de achterkamer hangt nog altijd dat witte, gezeefde licht, en dat vervult me elke keer met weemoed”, schrijft Voskuil in Lijnbaansgracht. Inderdaad, dat licht hangt er ook op deze zonnige dag nog steeds. Stenvers wil het met een grote spiegel in zijn kamer reflecteren om wat meer licht te krijgen.

Er zijn meer renovaties gepland, de voordeur met „een lullig raampje”, zoals Voskuil schreef, gaat er ook aan. Maar in de gevel zal wel een gedenkplaatje komen en Stenvers heeft langs het voorraam al geruime tijd het oeuvre uitgestald.

Voskuil stuurde elk jaar nieuwjaarswensen en af en toe een briefje waarin hij schreef dat hij weer even langs was gelopen. Nee, aanbellen deed hij nooit. Even snel naar binnen kijken, dat was voldoende om zijn weemoed te stillen. Want die bleef hij wel voelen als hij dit adres naderde. Misschien was hij daarom blij dat het huis „in goede handen” was, zoals hij schreef.

Dit huis moet zo belangrijk voor Voskuil zijn geweest, omdat hij er een cruciale fase van zijn leven doorbracht. Hier woonde hij toen hij op 1 juli 1957 zijn werk op het P.J. Meertens-Instituut, ‘Het Bureau’, begon. „Ik voelde me daar slecht op mijn gemak”, schrijft hij in Lijnbaansgracht. „Vooral het contact met mensen die ik niet zelf had uitgezocht en het vooruitzicht daar mijn hele leven te moeten blijven, brachten me af en toe op de rand van paniek, waarop dan weer een hoofdpijnaanval volgde.”

In zijn huurhuis aan de Lijnbaansgracht werd hij omgeven door volkse, vaak zeer luidruchtige buren die soms in dolle dronkenschap van de trap of zelfs uit het raam vielen, en elkaar af en toe ook op niet mis te verstane wijze naar het leven stonden, maar voor de tobbende Voskuil moet dit zeer aardse milieu ook een vluchthaven uit de starre wereld van Het Bureau zijn geweest. Hij schrijft: „Een klein jongetje kwam zijn huis uit, juist toen ik daar voorbijkwam. ‘Ha, Voskuil!’ riep hij, zijn hand opstekend. Ik hoorde erbij. Ik was een Jordaner.”

Alleen zó kan ik de heimwee verklaren die hem beving toen hij, murw van het wekelijkse feestgedruis boven zijn hoofd, in 1969 naar de veel chiquere Herengracht was verhuisd. Konden ze nog terug, vroegen ze zich een week later af. „L. belde naar de huiseigenaar, maar hij had ons huis al verhuurd aan twee vriendinnen.”