‘Het geheimzinnige aura van 1968 is onverdiend’

’68 zette maatschappelijke beginselen op losse schroeven. Dus kón ’68 de beloften niet waarmaken, meent Anthony Giddens, ex-directeur van de London School of Economics.

Het is mei 1968. Ik zit niet in Parijs, maar tienduizend kilometer verderop, in Californië, waar ik doceer aan de Universiteit van Californië in Los Angeles (UCLA). Bij aankomst in Venice, een badplaats waar ik een flat heb gehuurd, wachten mij bijbelse taferelen. Zover het oog reikt is het strand bevolkt met mensen in lange, kleurige, maar sjofele en verfomfaaide kleren. De lucht is doortrokken van de marihuana. Achter de mensen, op de boulevard, staat een rij politieauto’s, geweren steken uit de raampjes. Er hangt een dreigende sfeer. Tot die dag was ik nog nooit in aanraking gekomen met marihuana, en had ik het woord hippie nog nooit gehoord – in Groot-Brittannië werd het woord in die tijd amper gebruikt.

De Europese radicalen waren nogal traditioneel. Op hol geslagen studenten waren het, en hun radicalisme bleef binnen de perken. Wie in Californië radicaal was, moest in alles radicaal zijn. Een kennis van mij was een keurige docent wiskunde, met button-down overhemd, kort haar en een nette vrouw en kinderen. Ineens bleef hij maanden weg van de campus. Op een dag, toen ik naar de collegezaal liep, verscheen over de heuvel een soort Jezusfiguur, met blond haar tot over zijn schouders, een lange baard en een golvend gewaad.

Pas toen hij bleef staan en me begroette, herkende ik hem. Hij had de brui gegeven aan de wiskunde, de universiteit de rug toegekeerd, vrouw en kinderen verlaten, en was in New Mexico in de woestijn gaan wonen, als ambachtsman in een commune.

In die tijd kwamen ook allerlei maatschappelijke bewegingen op. De wortels van 1968 lagen in de burgerrechtenbeweging in het zuiden, die een paar jaar eerder op gang was gekomen, en de beweging voor de vrijheid van meningsuiting aan de Universiteit van Californië in Berkeley. Die bewegingen vloeiden samen met de actie tegen de oorlog in Vietnam, die op vele radicalen een katalyserende uitwerking had. Een en ander viel gedeeltelijk samen met de hippiebeweging, hoewel de meeste hippies in de Verenigde Staten alle politieke macht en gezag afwezen.

Er waren wat maoïsten, maar hun invloed was kleiner dan in Europa. Dan had je de Black Panthers en andere dissidente zwarte groepen, waarvan sommige hun toevlucht hadden gezocht bij de islam. En dan had je natuurlijk het feminisme, dat een veel breder karakter had dan de voorlopers. Dat was eerder een uitvloeisel van ’68 dan dat het er deel van uitmaakte. Ettelijke feministen-nieuwe stijl werden door de 68’ers geradicaliseerd –- zij kwamen tot de overtuiging dat de revolutie louter een mannenzaak was.

Tien jaar later kreeg ik een brief van de indertijd bekeerde docent wiskunde. Hij was terug bij zijn vrouw, zijn oude kapsel en zijn nette pak, in zijn oude woning -- en zocht weer een baan aan dezelfde faculteit. Hoe heeft het kunnen gebeuren dat al het radicalisme en alle grote verwachtingen van 1968 bijna net zo snel weer zijn verdwenen als ze waren opgekomen?

De oorzaken daarvan zijn net zo gevarieerd als het verschijnsel dat is. Met het einde van de oorlog in Vietnam verdween een belangrijke splijtzwam. De Black Panthers werden, goedschiks of kwaadschiks, door de overheid ontbonden. En met de sociale experimenten van de hippies is het slecht afgelopen. Seksuele uitbuiting werd gepresenteerd als vrije liefde.

Vervolg Mei '68: pagina 7

De bevrijding was schijn, maar de kritiek terecht

Vervolg Mei '68 van pagina 1

En drugs leidden vooral tot verslaving in plaats van tot geestelijke bevrijding.

Daar kwam bij dat de 68’ers een aantal dingen op losse schroeven zetten waar geen fatsoenlijke maatschappij buiten kan. Ze waren tegen de bureaucratie, maar een complexe samenleving kan het nooit zonder een zekere mate van bureaucratische coördinatie stellen. En geen samenleving kan functioneren enkel en alleen op basis van rechten.

Het feminisme is het voornaamste verschijnsel dat 1968 heeft overleefd, wat komt doordat het meer door 1968 is gestimuleerd dan dat het er deel van uitmaakte. Belangrijk aan 1968 waren niet alleen de bewegingen zelf, maar de reusachtige, ondergrondse, sinds eind jaren vijftig werkzame veranderingen in de samenleving, waarvan die bewegingen een afspiegeling vormden.

De uitwerking van die transformaties is tot op heden voelbaar, en wij hebben ze nog steeds niet helemaal onder controle. Ze omvatten onder meer: veranderingen in de aard van het gezin, met een devaluatie van het huwelijk, en nieuwe nadruk op de kwaliteit van relaties (en op seks); grootscheepse toetreding van vrouwen tot de arbeidsmarkt; een lager geboortecijfer en de intrede van het prized child (troetelkind); de noodzaak om een levensstijl te kiezen in plaats van hem alleen maar te erven; de opkomst van de identiteitspolitiek; de aftakeling van het respect en van het vanzelfsprekende gezag van mensen of instellingen.

Het is niet terecht om die veranderingen op het conto van de 68’ers te schrijven, die er hoofdzakelijk op zijn meegelift. Zo bezien is het geheimzinnige aura van 1968 onverdiend, en slaan ook de rechtsen die 1968 de schuld geven van al onze problemen, de plank mis. Toch koester ik onwillekeurig bewondering voor de mensen van 1968. Hun bevrijding was een schijnbevrijding, maar op haar beste momenten leverde ze creatieve kritiek op de zaken die als vanzelfsprekend gelden.

Tekening Wolfgang Ammer